Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-09-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:5326
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5266 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. L. Schoemans - Gelissen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv (gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg). Inleiding 1. Eiser ontvangt een loonaanvullingsuitkering Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-loonaanvullingsuitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Daarnaast werkte eiser tot april 2021 in loondienst. Van september 2021 tot en met november 2021 werkte eiser als zelfstandige. 2. Over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 ontving eiser van het Uwv een voorschot op zijn WIA-uitkering. Met het besluit van 1 december 2022 (het primaire besluit I) heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiser definitief berekend en vastgesteld dat hij over 2021 een bruto bedrag van € 1.740,22 teveel aan voorschot heeft ontvangen. Met het besluit van 4 december 2022 (het primaire besluit II) heeft het Uwv aan eiser laten weten dat hij een bedrag van € 1.694,50 aan teveel ontvangen voorschot moet terugbetalen en dat dit verschil met het bedrag uit het primaire besluit I is ontstaan doordat eiser een nettobedrag aan het Uwv mag terugbetalen. Eiser is het met deze besluiten niet eens en heeft tegen de primaire besluiten I en II bezwaar gemaakt. 3. Met de beslissing op bezwaar van 22 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de primaire besluiten in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. 4. Met de uitspraak van 16 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser buiten zitting kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het griffierecht te laat heeft betaald en hier geen geldige reden voor was. Eiser heeft tegen de uitspraak van 16 februari 2024 verzet ingesteld. Met de uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het verzet van eiser gegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak van 16 februari 2024 komt te vervallen en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 5. Op 14 januari 2025 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden totdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft beslist op het hoger beroep van eiser, gericht tegen een uitspraak van deze rechtbank over een soortgelijk geschil van eiser over een andere uitkeringsperiode. De rechtbank heeft dit verzoek om uitstel toegekend. Vervolgens heeft de CRvB op 19 februari 2025 uitspraak gedaan. 6. Het beroep van eiser is behandeld op de zitting van 7 juli 2025. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is met bericht van verhindering niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geschil 7. Tussen partijen is in geschil of eiser in de periode september 2021 tot en met november 2021 aan de inkomenseis heeft voldaan. Dit is van belang voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een loonaanvullingsuitkering of een (lagere) vervolguitkering op grond van de WIA. Daarbij verschillen partijen van inzicht over de vraag hoe het inkomen dat eiser in de maanden september 2021 tot en met november 2021 als zelfstandige heeft verworven moet worden betrokken bij deze beoordeling. 8. Eiser heeft ter zitting de beroepsgronden gericht op de met het Uwv gemaakte afspraak over het middelen van zijn inkomsten over een kalenderjaar en het door het Uwv gewekte vertrouwen, ingetrokken. Toetsingskader 9. De rechtbank overweegt dat een verzekerde op grond van de WIA, na de loongerelateerde fase recht heeft op een loonaanvullingsuitkering als hij naast de WIA-uitkering per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis. Als niet wordt voldaan aan de inkomenseis heeft de verzekerde na de loongerelateerde fase recht op een vervolguitkering. Dit volgt uit artikel 60, eerste en tweede lid, van de