Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:5311
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,818 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats: Lelystad
Parketnummer: 16.263490.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudig kamer van 15 oktober 2025 in de strafzaak van:
[verdachte]
,
geboren op [1975] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 oktober 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. J. Boon;
de advocaat van de verdachte: mr. D.P. Poppe;
mevrouw [A] van Slachtofferhulp Nederland namens benadeelde partij [slachtoffer] .
2Tenlastelegging
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, in de periode van 11 mei 2013 tot en met 11 mei 2016 in Emmeloord vaker:
feit 1
met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] ontucht heeft gepleegd,
feit 2
de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] opzettelijk heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen.
3Bewijs feit 1 en vrijspraak feit 2
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 gevraagd hem partieel vrij te spreken van het vaker plegen van de ontuchtige handelingen met aangeefster en van de handelingen die staan beschreven in het eerste gedachtestreepje. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde feit omdat het dossier geen aanknopingspunt biedt voor het vereiste ontuchtige oogmerk.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 2
De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en legt dat hieronder uit.
Voor een veroordeling voor artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dient te worden bewezen dat de verdachte opzettelijk met ontuchtig oogmerk een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen. Het bestanddeel “ertoe bewegen” impliceert een actieve gedraging gericht op het brengen van het kind tot het getuige zijn van seksuele handelingen. Er moet dus sprake zijn van een causale relatie tussen de gedraging van de verdachte die maakt dat aangeefster getuige is geweest van de door de verdachte verrichtte seksuele handelingen en de omstandigheid dat zij daarvan getuige was.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aangeefster, die in de tenlastegelegde periode jonger was dan 16 jaar, getuige is geweest van seksuele handelingen tussen de verdachte en zijn partner. De verdachte heeft bekend dat aangeefster eenmalig getuige is geweest van seksuele handelingen tussen hem en zijn partner. Aangeefster stond toen in de kamer van de verdachte en zijn partner toe te kijken hoe zij seksuele handelingen aan het verrichten waren. Zijn partner heeft dit ook bevestigd. Uit de inhoud van het dossier valt echter niet af te leiden dat de verdachte een actieve handeling heeft verricht die erop was gericht aangeefster getuige te laten zijn van de seksuele handelingen zoals tenlastegelegd. Aangeefster heeft wel verklaard dat zij aan de verdachte kon zien dat hij ervan genoot dat zij naar de seksuele handelingen aan het kijken was, maar niet kan worden vastgesteld dat haar aanwezigheid heeft bijgedragen aan het seksueel gerief van de verdachte.
Gelet daarop leveren de seksuele handelingen die in het bijzijn van aangeefster zijn verricht, hoe verwerpelijk en onethisch ook, geen bewijs op van de stelling dat de verdachte haar heeft bewogen getuige te zijn van de seksuele handelingen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 2 tenlastegelegde.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1
De verdachte bekent dat hij zich eenmalig heeft laten aftrekken door aangeefster, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. De advocaat van de verdachte heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 1 oktober 2025;
de aangifte van [slachtoffer] , pagina’s 148 t/m 160;
de uitwerking van het studioverhoor van de partner van verdachte, pagina’s 107 t/m 143;
het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 185 t/m 189.
3.3.3.
Bewijsoverweging
De betrouwbaarheid van de verklaringen
De verdachte heeft bij de politie en op zitting bekend dat aangeefster eenmalig zijn penis heeft vastgepakt en hij zich door haar heeft laten aftrekken toen zij twaalf jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte over het vastpakken van de penis en zich laten aftrekken door aangeefster betrouwbaar is. De rechtbank overweegt hiertoe in de eerste plaats dat de verklaring van de verdachte op zitting consistent en gedetailleerd is, en de verklaring op zitting niet afwijkt van hetgeen hij eerder bij de politie heeft verteld. Ook kwam zijn verklaring op zitting authentiek over. Daarnaast wordt zijn verklaring ondersteund door de gedetailleerde verklaring van zijn partner die getuige was van dit incident. Zij heeft verklaard dat zij er bij was toen de verdachte door aangeefster is afgetrokken. De verdachte en aangeefster hebben ook verklaard dat de partner van de verdachte er bij was. Ook heeft ze verklaard dat ze er altijd bij was als de verdachte en aangeefster samen waren, wat aangeefster ook heeft verklaard. De verklaring van de partner van de verdachte komt niet volledig overeen met de verklaring van de verdachte, maar dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring, omdat dit ook verklaarbaar is door de werking van het geheugen. Ook het feit dat zij de partner van de verdachte is, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan deze betrouwbaarheid. Uit haar verklaring is niet gebleken van enige vorm van afstemming of beïnvloeding. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt doordat zij belastend heeft verklaard over de verdachte.
De rechtbank vindt de verklaringen van de verdachte en de getuige betrouwbaar en deze verklaringen worden deels ook ondersteund door de verklaring van aangeefster.
Conclusie
De rechtbank vindt, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 10 mei 2015 zijn penis heeft laten vastpakken en zich heeft laten aftrekken door aangeefster, terwijl zij toen 11 jaar oud was.
Partiële vrijspraak eerste gedachtestreepje
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de handelingen zoals tenlastegelegd onder het eerste gedachtestreepje, omdat die handelingen niet kunnen worden bewezen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 10 mei 2015 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [2003] , door
- zijn penis te laten vastpakken en/of zich te laten aftrekken door die [slachtoffer] .
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5Kwalificatie en strafbaarheid
5.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
feit 1: ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
5.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
6Straf
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vier jaar, met als bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- contactverbod met aangeefster;
- een taakstraf van 180 uur.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een lagere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden dienen worden verbonden. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de verdachte niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd en het advies van de reclassering waaruit onder andere blijkt dat de verdachte een IQ van 65 heeft en dit heeft bijgedragen aan het delictgedrag. Ook dient rekening te worden gehouden met het taakstrafverbod, het tijdsverloop en dat de verdachte spijt heeft betuigd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer] toen zij 11 jaar oud was. [slachtoffer] logeerde om het weekend bij de verdachte en was aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd. Door dit handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het behoeft geen betoog dat de handelwijze van de verdachte als uiterst verwerpelijk moet worden gekwalificeerd en een grote beschadigende invloed op [slachtoffer] heeft gehad en nog heeft. Het is een feit van algemene bekendheid dat ontuchtige handelingen bij jonge minderjarigen tot ernstige psychische schade en verstoring van de seksuele ontwikkeling kan leiden. Zo ook in dit geval. [slachtoffer] blijkt het nog steeds moeilijk te hebben en haar leven en persoonlijke ontwikkeling zijn negatief beïnvloed. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen van haar moeder, die [slachtoffer] aan hem toevertrouwde, ernstig geschaad.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank heeft het strafblad van de verdachte daarom niet in strafverzwarende zin meegewogen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een advies van de reclassering van 18 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte een IQ van 65 heeft. De reclassering ziet dit als criminogeen en risico verhogend. Het IQ van de verdachte lijkt van invloed te zijn geweest op het gedrag van de verdachte. Ondanks zijn beperkingen werkt de verdachte in loondienst en zijn de overige leefgebieden, namelijk dagbesteding, financiën, relatie met familie en huisvesting, stabiel. De reclassering vindt het belangrijk dat de verdachte wordt behandeld bij Trajectum of een andere gespecialiseerde zorginstelling die is gericht op het ontwikkelen van handvatten om betere keuzes te maken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Daarnaast adviseert de reclassering dat een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij de strafoplegging gekeken naar straffen die worden opgelegd bij soortgelijke feiten. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop tussen het misdrijf en de veroordeling en neemt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft betuigd. De rechtbank houdt verder rekening met artikel 22b Sr (het taakstrafverbod) dat voor dit feit van toepassing is. Op grond van dit artikel is het opleggen van alleen een taakstraf voor ontucht met een minderjarige niet mogelijk.
Gelet op het voorgaande en omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij een straf opleggen die lager is dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van één dag op en een taakstraf voor de duur van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een langere gevangenisstraf dan één dag in dit geval niet passend, gelet op het feit dat de verdachte een IQ van 65 heeft en dit van invloed lijkt te zijn geweest op zijn gedragingen. De rechtbank zal naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden opleggen in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer. De rechtbank geeft met deze straf uitdrukking aan de ernst van het tenlastegelegde en hoopt dat deze straf en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden de verdachte ervan zullen weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.
Anders dan de officier van justitie vordert, zal de rechtbank geen proeftijd van vier jaren opleggen, omdat de verdachte niet eerder een strafbaar feit heeft gepleegd en sinds het onderhavige strafbare feit niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft de reclassering niet geadviseerd om een langere proeftijd op te leggen.
7Vordering benadeelde partij
7.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.000,00.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit en verdachte
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
oplegging straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) dag;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 40 (veertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt bij Reclassering Nederland, locatie Lelystad op het adres Middendreef 293, 8233 GT Lelystad. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt;
meewerkt aan diagnostisch onderzoek en indien geïndiceerd gevolgd door een behandeling door forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plaats is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [2003] ), te controleren door de politie en zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk vindt;
waarbij aan de reclassering opdracht wordt gegeven, met uitzondering van het contactverbod, toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2015 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd;
wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2015 tot de dag van volledige betaling. Als het verschuldigde bedrag van € 1.500,00 niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op één van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter en mrs. S.C. Hagedoorn en G.H. Marcus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
De jongste rechter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.263490.24)
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2013 tot en met 11 mei 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [2003] , door (telkens)
- de borsten en/of de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] aan te raken/te betasten en/of
- zijn penis te laten vastpakken en/of zich te laten aftrekken door die [slachtoffer] ;
feit 2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 mei 2013 tot en met 11 mei 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [2003] , van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft hij, verdachte, in het bijzijn van die [slachtoffer] zich laten aftrekken door zijn vriendin, te weten [B] ,
en/of heeft hij gemeenschap gehad met die [B] , althans seksuele handelingen met die [B] verricht, in het bijzijn van [slachtoffer] .
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2022180228, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 189.
Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.