Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-01
ECLI:NL:RBMNE:2025:5303
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
948 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3237
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. V.A. van Biljouw),
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 15 april 2025 waarin het CBR het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser geen bezwaargronden heeft aangevoerd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een educatieve maatregel die hij opgelegd heeft gekregen vanwege zijn rijgedrag (het primaire besluit).
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR. Eiser was niet aanwezig.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2. Een bestuursorgaan kan een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren als de bezwaarmaker nalaat aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit, de ‘bezwaargronden’. Eiser heeft geen bezwaargronden ingediend. Eiser heeft naar aanleiding van het primaire besluit verzocht om het mutatierapport dat bij de mededeling van de politie aan het CBR over eisers rijgedrag zou moeten zitten. Dat rapport heeft eiser ontvangen en het CBR heeft eiser nog twee weken gegeven om bezwaargronden in te dienen. Eiser heeft alsnog geen gronden ingediend. Dat het onmogelijk zou zijn geweest om gronden in te dienen op basis van het dossier dat er lag, volgt de rechtbank niet. Eiser had voldoende stukken om inhoudelijk bezwaar te maken tegen het primaire besluit.
3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025 door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:5, eerste lid, onder d, jo. artikel 6:6, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.