Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:530
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,115 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6224
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de burgemeester van de gemeente Woerden, de burgemeester,
(gemachtigde: N. el Khattouti).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[stichting]
uit [plaats] (vergunninghouder).
Inleiding
1. Eiser woont aan de [adres 1] in [plaats] . In het pand aan de [adres 2] in [plaats] is [stichting] (de sociëteit) van vergunninghouder gevestigd. Vergunninghouder wil de sociëteit exploiteren en heeft daarvoor een exploitatievergunning bij de burgemeester gevraagd. Op 6 juni 2023 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de exploitatievergunning verleend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 2 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de exploitatievergunning in stand gelaten. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door mr. S. de Rijke, namens vergunninghouder [A] , vergezeld door [B] en [C] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester terecht de exploitatievergunning in stand heeft gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De exploitatievergunning
4. Vergunninghouder exploiteert sinds lange tijd [stichting] aan de [adres 2] in [plaats] . Ten behoeve daarvan zijn in het verleden Drank- en Horecawet- en exploitatievergunningen verleend. Vanwege onder andere een wisseling van het bestuur heeft vergunninghouder op 27 maart 2023 een nieuwe exploitatievergunning bij de burgemeester aangevraagd. Vergunninghouder heeft hierbij verzocht om op zondag tot en met donderdag (doordeweeks) van 10:00 uur tot 23:00 uur en op vrijdag en zaterdag (weekend) van 10:00 uur tot 02:00 uur open te zijn. Dit is een vervroeging van de openingstijden van 16:00 uur naar 10:00 uur. Als doel heeft vergunninghouder aangegeven dat zij ook voor de jeugd onder de 18 jaar toegankelijk wil zijn en ook voor die doelgroep activiteiten wil kunnen organiseren. Op 6 juni 2023 heeft de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning verleend. Aan de vergunning is een aantal voorwaarden verbonden, onder andere dat de exploitant toezicht moet houden, leiding moet geven en verantwoordelijk is voor het voorkomen van de verstoring van de openbare orde in de directe omgeving. Ook mogen er buiten de sociëteit geen consumpties worden gebruikt of voorhanden zijn.
5. De exploitatievergunning kan op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Woerden 2015 (APV) worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. In aanvulling hierop kan de burgemeester de exploitatievergunning onder andere geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde nadelig wordt beïnvloed. De rechtbank overweegt dat uit deze regeling voortvloeit dat de burgemeester beleids- en beoordelingsruimte toekomt. Volgens vaste rechtspraak toetst de rechtbank de exploitatievergunning daarom terughoudend. De bestuursrechter toetst vervolgens of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, deugdelijk is gemotiveerd en of het besluit geen onevenredige gevolgen heeft voor één of meer belanghebbenden.
6. Partijen verschillen met elkaar van mening of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de sociëteit door de verlening van de exploitatievergunning nadelig wordt beïnvloed.
Is sprake van een nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie?
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich zorgen maakt over zijn woon- en leefsituatie. Door de vervroeging van de openingstijden en de feesten die worden georganiseerd door de sociëteit, wordt zijn woon- en leefsituatie nadelig beïnvloedt. Hij vreest voor een onhoudbare woonsituatie voor hem en zijn gezin. Eiser woont op minder dan vijf meter van het parkeerterrein en op 25 meter afstand van het gebouw waarin de sociëteit zich bevindt. In het verleden heeft eiser veel, vooral nachtelijk, overlast ondervonden van bezoekers van de jeugdsociëteit. Doordat de sociëteit met de exploitatievergunning eerder open mag, verwacht eiser ook overdag (geluids-)overlast. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij meerdere keren melding heeft gemaakt van overlast bij de gemeente en de politie. Op de zitting licht eiser nog toe dat hij graag een beperking wil van de openingstijden, zodat hij niet continu met overlast wordt geconfronteerd.
8. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit is genomen vanwege een wisseling van het bestuur. Het nieuwe bestuur heeft verruiming van de openingstijden aangevraagd om overdag activiteiten voor de jeugd te organiseren. Daarnaast blijft ook het doel bestaan om activiteiten voor de jeugd boven de 18 jaar te kunnen organiseren. Het bestreden besluit is op dat laatste punt niet gewijzigd ten aanzien van de vorige exploitatievergunning. Daarnaast heeft de burgemeester gesteld dat er geen sprake is van een nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat door de exploitatievergunning. De meldingen uit het verleden zijn bekend bij de burgemeester en heeft hij betrokken in de besluitvorming. Alle belangen zijn daarbij zorgvuldig afgewogen. Zo heeft de sociëteit verschillende maatregelen getroffen. De burgemeester erkent dat enige overlast is te verwachten, maar is van mening dat de verruiming van de openingstijden niet op voorhand leidt tot aantasting van het woongenot. De burgemeester heeft politiemeldingen en constateringen van overlast geselecteerd en in het verweerschrift opgenomen in een overzicht. Op grond van dit overzicht stelt de burgemeester dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Als mocht blijken dat er toch sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser dan kan handhavend worden opgetreden. Tot slot heeft de burgemeester in de nacht van 6 op 7 april 2024 een geluidsmeting uit laten voeren door de Omgevingsdienst regio Utrecht, waaruit volgt dat er geen sprake is van overschrijding van de geluidsnormen door de sociëteit.
9. De rechtbank is van oordeel dat het besluit tot verlening van de exploitatievergunning zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat het woon- en leefklimaat van eiser niet onevenredig wordt aangetast door de verleende vergunning. Met inachtneming van de beleids- en beoordelingsruimte van de burgemeester heeft hij dan ook kunnen concluderen dat het woon- en leefklimaat van eiser niet zodanig nadelig wordt beïnvloed dat hij de vergunning behoorde te weigeren. De burgemeester kon op basis van de bekende overlastmeldingen uit het verleden en de verwachtingen rond het optreden van het nieuwe bestuur van de sociëteit redelijkerwijs concluderen dat het niet op voorhand aannemelijk is dat de woon- of leefsituatie van eiser op onevenredige wijze zal worden geschaad. De burgemeester heeft in dat verband terecht overwogen dat enige overlast van de sociëteit geduld moet worden. De voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden zijn erop gericht om onevenredige overlast te voorkomen. Zo moet de exploitant toezicht houden en leidinggeven en is de exploitant verantwoordelijk voor de verstoring van de openbare orde in de directe omgeving. Ook mogen buiten de sociëteit geen consumpties worden gebruikt of voorhanden zijn, moeten feestavonden van tevoren worden gemeld met inhoud van de activiteit en is sterke drank niet toegestaan.
10. Het voorgaande neemt niet weg dat eiser hinder en overlast kan ondervinden van de jeugd die gebruik maakt van de sociëteit of van anderen die voor de sociëteit blijven staan. Dit blijkt uit de brieven die hij heeft gestuurd en zijn verklaringen op de zitting. Over de overlast die eiser ervaart, merkt de rechtbank nog op dat deze plaatsvindt op het parkeerterrein en dat niet kan worden vastgesteld of die overlast telkens één op één is terug te voeren op activiteiten van de sociëteit of van jongeren die na een activiteit blijven hangen. Ook de sporthal, basisschool en parkeerplaatsen kunnen overlast geven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat veel van de door eiser genoemde incidenten van overlast hebben plaatsgevonden in het verleden. De sociëteit had toen een ander bestuur. De burgemeester heeft die omstandigheid bij zijn beoordeling kunnen betrekken. Het overzicht van constateringen dat de burgemeester in deze procedure heeft overgelegd laat zien dat eiser ook in 2024 meldingen van overlast heeft gedaan en dat naar aanleiding van één melding overlast is geconstateerd, wat ertoe heeft geleid dat de politie in gesprek is gegaan met medewerkers van de sociëteit. Bij vijf andere controles is geen overlast geconstateerd.
Conclusie
14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning op zorgvuldige wijze heeft verleend en voldoende heeft toegelicht dat de verleende vergunning geen gevolgen heeft die voor eiser onevenredig zijn.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik mag blijven maken van zijn exploitatievergunning. Eiser zal daarom enige overlast van de sociëteit moeten dulden. Hij kan de gemeente zo nodig vragen om handhavend op te treden. De rechtbank brengt nog in herinnering dat op de zitting ook is besproken dat overleg en het maken van afspraken met het bestuur van de sociëteit mogelijk kan helpen om minder overlast te ervaren.
16. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De bepalingen uit de APV 2015 die voor de beoordeling van belang zijn, zijn identiek aan de bepalingen in de nieuwe APV die vanaf 26 oktober 2023 geldig is.
Dit volgt uit artikel 1.8 van de APV.
Dit volgt uit artikel 2:28a aanhef en onderdeel a van de APV.
Dit volgt uit artikel 2:28a aanhef en onderdeel d van de APV.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1403.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2590.