Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-12
ECLI:NL:RBMNE:2025:528
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,179 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4410
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] ,
[eiser 2] ,
beiden uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren
(gemachtigde: mr. A.M. van de Kordelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het college van 15 mei 2024, waarin het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit van 23 november 2023 ongegrond is verklaard en het primaire besluit onder nadere motivering in stand is gebleven.
1.1.
Op 23 november 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een esdoorn op het kadastrale perceel [perceel] , naast [adres] in [plaats] .
1.2.
Op 25 juni 2024 hebben eisers beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 23 juli 2024 heeft het college toestemming gegeven om de esdoorn per direct te kappen in het kader van de noodkap. De boom was in een dusdanig slechte staat dat handhaven niet verantwoord is en een acuut gevaar oplevert.
1.4.
De rechtbank heeft eisers en het college gevraagd om te reageren op het procesbelang van eisers. Verweerder heeft hierop gereageerd. Daar hebben eisers vervolgens op gereageerd.
1.5.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eisers procesbelang hebben bij deze beroepsprocedure en dient het beroep niet-ontvankelijk te verklaren als het procesbelang ontbreekt.
3. Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van de procedure. Om procesbelang te kunnen aannemen moet wat de indiener van het beroep nastreeft ook daadwerkelijk kunnen worden bereikt en dat resultaat moet voor de indiener feitelijke betekenis hebben.
4. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van de esdoorn. Nadien is de esdoorn gekapt in het kader van de noodkap. Naar aanleiding van de vraag van de rechtbank heeft het college zich op 4 september 2024 op het standpunt gesteld dat eisers voor zover het beroep betrekking heeft op het kappen van de esdoorn of het mogelijke vereiste van een aanlegvergunning geen procesbelang meer hebben. Vergunninghouder heeft gebruik gemaakt van de aan hem verleende omgevingsvergunning en de boom gekapt, vooral vanwege risico’s bij langer uitstel daarvan. Het beroep heeft ook betrekking op het afzien van de herplantplicht, daarin zou voor eisers nog een belang kunnen liggen.
5. Eisers hebben de rechtbank in de brief van 2 oktober 2024 laten weten dat vergunninghouder op de plaats van de gekapte boom een meerstammige boom van enige omvang en hoogte heeft geplant.
6. Gelet op het voorgaande hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. De boom is inmiddels gekapt en vergunninghouder heeft, onverplicht, een meerstammige boom terug geplaatst. Bij het ontbreken van een procesbelang, moet het beroep van eisers niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.