Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:5242
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,040 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/772
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 26 maart 2021 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Bij uitspraak van 6 juni 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk op
29 juli 2024 een besluit op bezwaar te nemen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop nader gereageerd.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 juni 2024 een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.
3. Verweerder stelt dat in het verweerschrift in de eerdere procedure ten onrechte is meegedeeld dat er een ingebrekestelling is ontvangen. De ingebrekestelling die verweerder heeft ontvangen gaat volgens hem over een beschikking met kenmerk UHT-DC I en niet over de beschikking met kenmerk UHT- DC (H). Er is dus geen ingebrekestelling gedaan en daarom is het beroep dat nu voorligt volgens verweerder niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 juni 2024 overwogen dat eiseres meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat het destijds ingediende beroep niet tijdig beslissen gegrond is. Verweerder heeft geen verzet aangetekend tegen de uitspraak van 6 juni 2024. Deze uitspraak heeft kracht van gewijsde en heeft tussen partijen ook gezag van gewijsde. Het huidige standpunt van verweerder dat eiseres geen ingebrekestelling heeft ingediend, die ziet op het juiste besluit en het juiste besluitkenmerk bevat, is daarmee te laat om nu nog als verweer te kunnen dienen.
5. Uit de uitspraak van 6 juni 2024 blijkt dat verweerder op uiterlijk 29 juli 2024 een besluit op bezwaar bekend had moeten maken. Dat is niet gebeurd.
6. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
8. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich volledig aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling.
9. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Het laatst genomen besluit van verweerder dateert van 14 november 2022. Het bezwaar dat eiseres al had ingediend tegen het besluit van 23 februari 2021 is ook gericht tegen dit besluit. Sinds het besluit van 14 november 2022 zijn meer dan 139 weken verstreken. De rechtbank laat in het midden wanneer de bezwaartermijn in dit geval precies is aangevangen, nu zonder meer duidelijk is dat bij zo lange behandelduur de beslistermijn van 60 weken overschreden is. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar kort gezegd een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres, het verkrijgen van een beslissing, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.
Proceskosten en griffierecht
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2025:1301.