Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-09-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:5180
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,600 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3530
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] te [plaats] , eiser,
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 30 oktober 2023 heeft de minister alsnog een besluit genomen op dit verzoek.
Eiser heeft op 16 februari 2024 laten weten dat hij het niet eens is met dit besluit en zijn beroep niet intrekt.
De minister heeft op 24 juli 2025 verzocht om het beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door te sturen als bezwaar.
Eiser heeft op dit verzoek gereageerd met zijn brief van 21 augustus 2025.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek. Inmiddels heeft de minister een besluit op dat verzoek genomen. De minister heeft dus gedaan wat eiser wilde. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister zou beslissen op zijn aanvraag en dat is gebeurd. Eiser heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt echter dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 30 oktober 2023 komt niet geheel tegemoet aan het Woo-verzoek en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit. Eiser heeft ook laten weten dat hij het niet eens is met de inhoud van dit besluit.
De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan de minister om in bezwaar te behandelen. De minister heeft daar om verzocht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek in te willigen omdat een heroverweging van het besluit, gelet op onder andere het bezwaar van eiser op het punt van de zoekslag, naar verwachting bijdraagt aan een nader gemotiveerd besluit op eisers Woo-verzoek.
Omdat het beroep al enige tijd loopt, draagt de rechtbank de minister op om binnen zes weken of – als er een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van de uitspraak, op het bezwaar te beslissen.
Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten. Hij heeft zich aanvankelijk laten bijstaan door een gemachtigde. De minister heeft op 9 november 2023 bericht dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te betalen.
De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die de minister moet betalen vast op € 453,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5.
De minister moet ook het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser betalen.Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;- stuurt het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 30 oktober 2023 door naar de minister om in bezwaar te behandelen;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken of – als een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van de uitspraak op het bezwaar beslist.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
- bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3530
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] te [plaats] , eiser,
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 30 oktober 2023 heeft de minister alsnog een besluit genomen op dit verzoek.
Eiser heeft op 16 februari 2024 laten weten dat hij het niet eens is met dit besluit en zijn beroep niet intrekt.
De minister heeft op 24 juli 2025 verzocht om het beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door te sturen als bezwaar.
Eiser heeft op dit verzoek gereageerd met zijn brief van 21 augustus 2025.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek. Inmiddels heeft de minister een besluit op dat verzoek genomen. De minister heeft dus gedaan wat eiser wilde. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over dat beroep.
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister zou beslissen op zijn aanvraag en dat is gebeurd. Eiser heeft daarom geen belang meer bij het beroep, voor zover dat gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt echter dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het besluit van 30 oktober 2023 komt niet geheel tegemoet aan het Woo-verzoek en daarom richt het beroep zich nu van rechtswege ook tegen dit besluit. Eiser heeft ook laten weten dat hij het niet eens is met de inhoud van dit besluit.
De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan de minister om in bezwaar te behandelen. De minister heeft daar om verzocht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek in te willigen omdat een heroverweging van het besluit, gelet op onder andere het bezwaar van eiser op het punt van de zoekslag, naar verwachting bijdraagt aan een nader gemotiveerd besluit op eisers Woo-verzoek.
Omdat het beroep al enige tijd loopt, draagt de rechtbank de minister op om binnen zes weken of – als er een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van de uitspraak, op het bezwaar te beslissen.
Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten. Hij heeft zich aanvankelijk laten bijstaan door een gemachtigde. De minister heeft op 9 november 2023 bericht dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te betalen.
De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die de minister moet betalen vast op € 453,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5.
De minister moet ook het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser betalen.Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;- stuurt het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 30 oktober 2023 door naar de minister om in bezwaar te behandelen;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken of – als een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van de uitspraak op het bezwaar beslist.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
- bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.