Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:5133
Civiel recht
Kort geding
7,469 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/592469 / KG ZA 25-181
Vonnis in de hoofdzaak en het incident tot tussenkomst van het kort geding van 3 juli 2025
in de zaak van
[partij 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak en verweerder in het incident,
advocaat mr. D. van der Leij te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak en verweerder in het incident,
advocaat mr. L.H. Rammeloo te Amsterdam.
en tussenkomende partij
de vennootschap naar het recht van Curaçao
[partij 3] ,
gevestigd te Curaçao
eiser in het incident, tussenkomende partij in de hoofdzaak
advocaat mr. P.S. Folsche
Partijen worden hierna [partij 1] , [partij 2] en [partij 3] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van [partij 1] met producties 1 tot en met 30
de van [partij 2] ontvangen producties 1 en 2
de incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst van [partij 3] met producties 1 tot en met 6
de nagekomen producties 31 tot en met 34 van [partij 1]
de nagekomen producties 35 en 36 van [partij 1]
de mondelinge behandeling van 12 juni 2025
de pleitnota van [partij 1]
de pleitnota van [partij 2] .
1.2.
Op de zitting is bepaald dat er op 3 juli 2025 vonnis wordt gewezen of zoveel eerder als lukt.
2De kern van de zaak
2.1.
[partij 3] mag meedoen in het kort geding tussen [partij 1] en [partij 2] .
2.2.
[partij 3] heeft een bedrag van € 200.000,- op de derdengeldrekening van [partij 2] gestort. [partij 1] vindt dat van dat bedrag € 188.500,- aan hem moet worden uitbetaald en [partij 3] vindt dat zij recht heeft op het hele bedrag. [partij 3] heeft beslag gelegd op het bedrag van € 200.000,-. De voorzieningenrechter oordeelt dat € 188.500,- aan [partij 1] moet worden uitbetaald, omdat [partij 2] het geld op het moment van de beslaglegging voor [partij 1] onder zich hield. [partij 3] heeft niet rechtstreeks recht op het bedrag, want [partij 2] is het bedrag nooit voor haar gaan houden. [partij 3] heeft ook niet indirect recht op het bedrag via het beslag, want dat heeft geen doel getroffen.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
[partij 1] heeft zijn woning verkocht aan [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). De heer [A] (hierna: [A] ) is bestuurder van [onderneming] . In de koopovereenkomst staat dat [onderneming] voor een bepaalde datum een waarborgsom ter hoogte van 10% van de koopprijs moet storten op de derdengeldrekening van [partij 2] .
3.2.
[onderneming] kon de waarborgsom niet op tijd betalen. Daarom is er nog een overeenkomst gesloten met aanvullende afspraken (hierna: aanvullende overeenkomst). In de aanvullende overeenkomst staat dat [A] uiterlijk op 20 december 2024 een aanbetaling van € 151.500,- aan [partij 1] moet doen en dat [onderneming] uiterlijk op die datum de omhoog bijgestelde waarborgsom van € 198.500,- op de derdengeldrekening van [partij 2] moet storten.
3.3.
Op 19 december 2024 heeft [partij 3] een bedrag van € 200.000,- op de derdengeldrekening van [partij 2] gestort. [partij 2] heeft over dit bedrag navraag gedaan bij [onderneming] en die gaf aan dat het ging om een lening tussen haar en [partij 3] en dat het geld was bedoeld voor de waarborgsom en voor een openstaande rekening van [partij 2] van € 1.500,-. [partij 2] heeft het bedrag vervolgens als waarborgsom beschouwd en dat ook aan [partij 1] bericht. De aanbetaling van € 151.500,-- heeft [A] nooit aan [partij 1] voldaan.
3.4.
In de koopovereenkomst staat dat als de overeenkomst wordt ontbonden omdat één van partijen nalatig is, de nalatige partij een boete verschuldigd is ter hoogte van 10% van de koopsom. Ook staat er dat de notaris in dat geval door partijen gemachtigd is om:
a. bij nalatigheid van [onderneming] de boete uit de waarborgsom aan [partij 1] te betalen, en
b. als de notaris niet kan vaststellen of [onderneming] nalatig is, de waarborgsom aan [partij 1] uit te betalen nadat beide partijen daartoe opdracht hebben gegeven.
3.5.
Op 1 maart 2025 heeft [partij 1] de koopovereenkomst ontbonden, omdat [A] de aanbetaling niet heeft voldaan en op 5 maart 2025 hebben [partij 1] en [onderneming] aan [partij 2] de opdracht gegeven om de waarborgsom aan [partij 1] uit te betalen. In de tussentijd heeft [partij 3] zich ook bij [partij 2] gemeld met het verzoek het bedrag van € 200.000,- aan haar uit te betalen. Daarop heeft [partij 2] betaling aan [partij 1] opgeschort. Op 11 maart 2025 heeft [partij 3] beslag gelegd op het bedrag van € 200.000,- op de derdengeldrekening van de notaris.
Beoordeling
4.1.
Omdat [partij 3] gevestigd is in Curaçao moet worden beoordeeld of de voorzieningenrechter rechtsmacht heeft en of Nederlands recht van toepassing is. Dat is zo. De voorzieningenrechter heeft rechtsmacht door analoge toepassing van o.a. artikel 25 EEX-Verordening. Het Nederlands recht is van toepassing, omdat partijen zich beroepen op bepalingen van Nederlands recht en zij daar dus (impliciet) voor hebben gekozen (artikel 3 Rome I Verordening).
In het incident
[partij 3] mag meedoen in de hoofdzaak
4.2.
[partij 3] vordert in het incident om haar als tussenkomende partij toe te laten tot de procedure tussen [partij 1] en [partij 2] , zodat zij in die procedure (hoofdzaak) kan betogen dat de vordering van [partij 1] moet worden afgewezen. Als de vordering van [partij 1] wordt toegewezen en de waarborgsom aan hem wordt uitbetaald, kan het bedrag niet aan [partij 3] worden uitbetaald en kan zij zich daar ook niet op verhalen op grond van het beslag. [partij 3] kan dus benadeeld door een uitkomst in de hoofdprocedure en daarom mag zij meedoen als partij.
4.3.
[partij 1] brengt daartegen in dat [partij 3] geen belang heeft bij tussenkomst in het kort geding, omdat zij geen rechtstreeks recht heeft op het geld op de derdengeldrekening van de notaris en het beslag geen doel heeft getroffen. Daarmee loopt [partij 1] vooruit op een voor haar gunstig oordeel in de hoofdzaak. [partij 3] wil zo’n uitkomst nu juist voorkomen door tussen te komen. [partij 1] onderstreept met zijn argument dus het belang van [partij 3] bij haar incidentele vordering.
[partij 1] moet de proceskosten van [partij 3] in het incident betalen
4.4. [partij 2] voert geen verweer, maar laat de beslissing in het incident aan de voorzieningenrechter over (referte). Daarom worden de proceskosten in het incident tussen [partij 3] en [partij 2] gecompenseerd. Dat betekent dat ieder de eigen kosten draagt.
4.5.
[partij 1] krijgt ongelijk in het incident. Daarom moet hij de proceskosten van [partij 3] in het incident betalen. Die kosten worden begroot op € 614.- (1 punt salaris onbepaalde waarde).
4.6.
De nakosten worden toegewezen op de manier die in “De beslissing” staat.
In de hoofdzaak
[partij 1] heeft een spoedeisend belang bij toegang tot deze kortgedingprocedure
4.7.
Om met succes een vordering in kort geding te kunnen instellen, moet [partij 1] een spoedeisend belang hebben bij zijn vorderingen. Het begrip spoedeisend belang wordt op twee manieren ingevuld:
als eis om toegang te krijgen tot de voorzieningenrechter (ontvankelijkheid), en
als eis voor toewijzing van de vordering.
Voor de eerste eis is het genoeg dat [partij 1] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft. Dat is hier zo, omdat [partij 1] zegt dat hij het geld nodig heeft om van te kunnen leven.
De tweede eis komt aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering.
4.8.
Ook geldt dat een vordering in een kort geding kan worden toegewezen als het waarschijnlijk is dat deze in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Er is sprake van een geldvordering in kort geding
4.9.
[partij 1] vordert betaling van een geldbedrag van € 188.500,- (de waarborgsom van € 198.500,- min een bedrag van € 10.000,-.) De voorzieningenrechter kan [partij 1] dan ook niet volgen in zijn stelling dat het hier niet gaat om een geldvordering in kort geding. Met de uitbetaling wordt inderdaad een verbintenis nagekomen, maar dat betekent niet dat het in zijn algemeenheid gaat om een vordering tot nakoming. De specifieke verbintenis, betaling van een geldsom, is hier leidend.
4.10.
Bij de vraag of een geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, moet de voorzieningenrechter het volgende onderzoeken:
of het voldoende aannemelijk is dat de geldvordering bestaat;
of er zo’n spoed is dat een veroordeling nu nodig is;
of er – in het kader van de afweging van de belangen van partijen – zo’n risico bestaat dat [partij 1] het bedrag niet kan terugbetalen als een rechter in een bodemprocedure of in hoger beroep anders beslist (restitutierisico).
4.11.
Deze drie punten zijn communicerende vaten. Als er aan één punt in ruime mate is voldaan, hoeven de andere twee punten minder aanwezig te zijn. Bijvoorbeeld: hoe aannemelijker het is dat de vordering bestaat, hoe minder streng wordt getoetst of aan de criteria van spoedeisendheid en restitutierisico is voldaan.
4.12.
Hieronder worden de drie punten één voor één besproken.
1. Het is aannemelijk dat de waarborgsom aan [partij 1] moet worden uitbetaald
[partij 3] heeft geen rechtstreekse aanspraak op het bedrag
4.13.
De Hoge Raad heeft bepaald dat iemand recht heeft op een bedrag op een kwaliteitsrekening als dat bedrag voor diegene op de rekening is gestort
4.14.
De Hoge Raad heeft ook bepaald dat als de koopsom van een woning op de derdengeldrekening van een notaris wordt gestort, zowel de koper als verkoper voorwaardelijk recht hebben op dit bedrag. De verkoper onder de opschortende voorwaarde van een vrije en onbezwaarde levering en de koper onder dezelfde maar dan ontbindende voorwaarde.
4.15.
Volgens [partij 1] geldt dit uitgangspunt ook voor een waarborgsom. Hij verwijst daarvoor naar een conclusie van A-G Hartkamp bij een arrest van de Hoge Raad, waarin staat dat verkoopster recht heeft op de waarborgsom onder de opschortende voorwaarde dat de kopers wanprestatie pleegden en dat kopers recht zouden hebben op terugbetaling van de waarborgsom als verkoopster wanprestatie zou plegen. De kern is dat de waarborgsom niet tot het vermogen van verkoopster of kopers behoort, maar dat zij daar beiden een vorderingsrecht op hebben onder de genoemde voorwaarden.
4.16.
Volgens [partij 3] geldt dit juist niet voor een waarborgsom. Volgens haar heeft de Hoge Raad de conclusie van de A-G niet gevolgd in haar arrest. Dat is niet zo. [partij 3] legt het arrest verkeerd uit. De voorzieningenrechter ziet trouwens ook geen goede reden waarom het uitgangspunt wél voor een koopsom, maar niet voor een waarborgsom zou gelden. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat – als het geldbedrag op de derdengeldrekening van [partij 2] als waarborgsom moet worden beschouwd – zowel [partij 1] als [onderneming] in eerste instantie voorwaardelijk rechthebbende zijn van die waarborgsom. [partij 1] onder de opschortende voorwaarde dat de koopovereenkomst wordt ontbonden vanwege een tekortkoming van [onderneming] en [onderneming] onder de ontbindende voorwaarde dat de koopovereenkomst wordt ontbonden vanwege een tekortkoming van [partij 1] .
4.17.
Om de vraag te beantwoorden of de geldvordering van [partij 1] voldoende aannemelijk is, moet eerst worden gekeken of [partij 2] het bedrag van € 200.000,- (of in ieder geval € 198.500,- daarvan) inderdaad als waarborgsom op haar kwaliteitsrekening had staan. [partij 1] zegt dat dit zo is, omdat hij dit met [onderneming] was overeengekomen in de koopovereenkomst en het addendum.
Dictum
De voorzieningenrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering toe,
5.2.
compenseert de proceskosten tussen [partij 3] en [partij 2] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten, aan de zijde van [partij 3] begroot op € 614,-,
5.4.
veroordeelt [partij 2] [partij 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [partij 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
in de hoofdzaak
5.5.
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 188.500,-,
5.6.
veroordeelt [partij 2] en [partij 3] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [partij 1] tot op heden begroot op € 3.974,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.7.
veroordeelt [partij 2] en [partij 3] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [partij 2] en [partij 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven en in haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 3 juli 2025.
ECLI:NL:HR:2021:588, r.o. 3.1.4 (Centavos)
ECLI:NL:HR:2021:588, r.o.3.1.5. (Cevantos)
ECLI:NL:PHR:1987:3, r.o. 7
ECLI:NL:HR:1987:1, r.o. 3.5
MB (4209)
Beoordeling
[partij 3] zegt dat dit niet zo is, omdat zij met (onder andere) [onderneming] in de leningsovereenkomst had afgesproken dat het bedrag alleen gebruikt mocht worden als “eigen inbreng voor het aankopen van het pand” en dat uit een email blijkt dat de lening is afgesloten onder de voorwaarde dat “indien de levering niet doorgaat de gelden direct worden teruggestort” aan [partij 3] . [partij 3] zegt ook dat het de bedoeling van haar en [onderneming] was om het bedrag van de lening van € 200.000,- buiten het vermogen van [onderneming] te houden en dat het daarom op de derdengeldrekening van [partij 2] is gestort.
4.18.
De onderliggende overeenkomsten lijken tegenstrijdig. Om te kunnen bepalen voor wie [partij 2] het bedrag hield, is het dus nodig om naar andere feiten en omstandigheden te kijken. Daarbij gaat het niet alleen om waar [partij 1] , [onderneming] en [partij 3] vanuit gaan, maar ook de indruk die bij de notaris is gewekt. De onderstaande feiten en omstandigheden ondersteunen de stelling van [partij 1] dat het bedrag op de kwaliteitsrekening van [partij 2] stond als waarborgsom:
Het op de derdengeldrekening gestorte bedrag is (bijna) gelijk aan de waarborgsom;
Het bedrag is gestort één dag voor de dag waarop de waarborgsom betaald moest zijn;
Op grond van de regels die gelden voor een kwaliteitsrekening, mag (een deel van) de koopsom niet zo ver voor de levering al op de derdengeldrekening van de notaris worden gestort, maar een waarborgsom wel;
[onderneming] heeft aan [partij 2] bevestigd dat het om de waarborgsom ging;
- [partij 2] heeft het bedrag als waarborgsom beschouwd en dit aan [partij 1] bevestigd;
- In een WhatsApp-bericht van de heer [B] (bestuurder van [partij 3] ) aan [partij 1] op 27 februari 2025 staat “[A (voornaam)] [lees: [A] , toevoeging voorzieningenrechter], heeft van mij 2 ton die op de derdengeldrekening [partij 2] staan als borg voor de aankoop”.
4.19.
[partij 3] brengt hier tegenin dat zij niet wist dat de levering was uitgesteld. Zij wist niet beter dan dat zij het bedrag van € 200.000,- stortte vlak voor de (oorspronkelijke) leveringsdatum. [partij 3] zegt ook dat zij dacht dat de waarborgsom al was voldaan en dat dit ook blijkt uit een WhatsApp-bericht van 30 november 2024 van [A] aan [partij 1] .
4.20.
Dat maakt niet dat het bedrag dan voor [partij 3] op de derdengeldrekening stond. Het kan zo zijn dat [partij 3] niet wist van de uitgestelde leveringsdatum, maar dat betekent nog niet dat het bedrag daarom als gedeeltelijke betaling van de koopsom moet worden beschouwd. Zeker niet nu [partij 3] in de app van 27 februari 2025 aan [partij 1] bevestigt dat het om de “borg” gaat. In het appje van 30 november 2024 aan [partij 1] staat inderdaad dat [partij 3] ervan uitgaat dat de borg al is betaald, maar ook dat dit gedeeltelijk met een eerder door haar aan [onderneming] uitgeleend bedrag is gebeurd. [partij 3] zegt in dat appje niet dat dit niet de bedoeling was. [partij 1] kon er dus - ook door berichten van [partij 3] - vanuit gaan dat het om de waarborgsom ging.
4.21.
Ook geldt dat als de levering was doorgegaan de waarborgsom in mindering was gebracht op de koopprijs. Dat valt binnen het bereik van de afspraak tussen (onder meer) [onderneming] en [partij 3] dat de lening van € 200.000,- moet worden gebruikt voor betaling van de koopprijs. [A] heeft weliswaar kort voor de zitting in een email van 10 juni 2025 aan [partij 3] geschreven dat zij niet hadden afgesproken dat het door [partij 3] uitgeleende bedrag als waarborgsom zou worden gebruikt, maar die verklaring is tegenstrijdig met zijn eerdere verklaring aan [partij 2] dat het wél om de waarborgsom ging. Het lijkt erop dat [A] met zijn verklaring [partij 3] tegemoet wil komen. [onderneming] was geld schuldig aan [partij 1] én aan [partij 3] . Zij kon één van beide partijen niet terugbetalen. Zij heeft het geld van [partij 3] gebruikt om [partij 1] te betalen en nu [partij 3] haar geld terug wil, is [onderneming] (in de persoon van [A] ) blijkbaar bereid om haar daarbij te helpen. Voor [onderneming] maakt het niet uit. Het gaat niet om zijn geld.
4.22.
[partij 3] zegt dat het de bedoeling van haar en [onderneming] was om het bedrag van de lening van € 200.000,- en het eerder uitgeleende bedrag buiten het vermogen van [onderneming] te houden. Dat lukt echter niet zomaar door het op de rekening van een derde te storten. Ook niet als die derde een notaris is. Daarvoor is nodig dat de notaris het bedrag voor [partij 3] onder zich houdt. Daar had [partij 3] voor kunnen zorgen door aan [partij 2] te laten weten dat [partij 2] het bedrag voor haar moest bewaren (die dat dan waarschijnlijk niet had gedaan vanwege de regels die gelden voor een derdengeldrekening). Dat heeft [partij 3] niet gedaan. De afspraken tussen [onderneming] en [partij 3] waren [partij 2] niet bekend. De notaris kon daarom alleen afgaan op de bij haar bekende koopovereenkomst tussen [partij 1] en [onderneming] en de mededeling van [onderneming] dat het om de waarborgsom ging. Ook de notaris heeft dus terecht kunnen denken dat het om de waarborgsom ging.
4.23.
Al met al vindt de voorzieningenrechter het waarschijnlijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het bedrag van € 200.000,- dat op de derdengeldrekening van [partij 2] is gestort, moet worden beschouwd als waarborgsom. Dat betekent dat [partij 3] daar niet rechtsreeks aanspraak op kan maken.
[partij 3] kan zich ook niet op het bedrag verhalen via het beslag
4.24.
Kan [partij 3] zich wel op dat bedrag verhalen via het beslag en zo het aan (onder meer) [onderneming] uitgeleende geld terugkrijgen? Nee, ook niet. [partij 3] kan zich alleen op de waarborgsom op de derdengeldrekening van [partij 2] verhalen als deze de waarborgsom onder zich had voor [onderneming] op het moment dat beslag werd gelegd en dat is niet zo. [partij 2] is de waarborgsom voor [partij 1] gaan houden, ofwel op 1 maart 2025 toen de koopovereenkomst werd ontbonden omdat [onderneming] de boete niet had betaald, ofwel op 5 maart 2025 omdat [partij 1] en [onderneming] toen allebei opdracht hebben gegeven om de waarborgsom aan [partij 1] uit te betalen (zie a en b uit 3.4). Dat is dus beide voordat het beslag is gelegd op 11 maart 2025. [partij 2] hield het bedrag toen niet meer onder zich voor [onderneming] en het beslag ten laste van [onderneming] heeft dus geen doel getroffen.
4.25.
[partij 3] zegt dat de ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtsgeldig is of dat de hoogte van de boete in een bodemprocedure zal worden verlaagd. Of dat zo is, doet er niet toe. [partij 3] kan die ontbinding of de hoogte van de boete niet aanvechten. Dat is iets tussen [partij 1] en [onderneming] . Dat [onderneming] de ontbinding of de hoogte van de boete gaat aanvechten in een procedure is nog veel te onzeker om daar hier op vooruit te lopen. [A] heeft op 11 juni 2025 per mail aan [partij 1] laten weten dat de boete te hoog is, maar niet dat hij het niet meer eens is met de ontbinding. Bovendien lijkt de mail – verstuurd één dag voor de zitting – vooral bedoeld te zijn om [partij 3] tegemoet te komen (zie 4.21). Met betrekking tot de ontbinding geldt bovendien nog dat [partij 2] de waarborgsom op zijn laatst op 5 maart 2025 voor [partij 1] is gaan houden, omdat [partij 1] en [onderneming] toen de betalingsopdracht gaven. Ook als de ontbinding wordt weggedacht, hield [partij 2] de waarborgsom dus om deze reden al niet meer voor [onderneming] op het moment dat [partij 3] beslag legde.
2.
Beoordeling
[partij 1] heeft een spoedeisend belang bij uitbetaling van de waarborgsom
4.26.
[partij 1] zegt dat hij de waarborgsom nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Nu de woning niet is verkocht, kan hij met de opbrengst geen andere woning kopen. De woning was in gebruik als bed&breakfast en zorgde dus voor inkomen. Hetzelfde was ook de bedoeling voor de nieuw aan te kopen woning. Door de situatie heeft [partij 1] inmiddels schulden bij de Belastingdienst, familie en vrienden en kan hij de hypotheek van de woning niet meer betalen. Dat maakt de situatie nijpend. [partij 1] heeft bewijs overgelegd van de Belastingschuld en achterstallige hypotheekbetalingen. De voorzieningenrechter is overtuigd van het spoedeisend belang van [partij 1] . Onder deze omstandigheden kan niet van [partij 1] verwacht worden dat hij een bodemprocedure afwacht. Er is nu een oordeel in kort geding nodig.
3. De belangen van [partij 1] wegen zwaarder dan die van [partij 2] of [partij 3]
Belangen [partij 2]
4.27. [partij 2] vindt dat de vordering van [partij 1] moet worden afgewezen, omdat zij een onaanvaardbaar risico loopt als de vordering wordt toegewezen. [partij 2] heeft na het beslag aan de deurwaarder verklaard dat zij mogelijk een bedrag van € 200.000,- onder zich hield voor [partij 3] (de zogenaamde derdenverklaring) en de uitbetaling opgeschort. Als de voorzieningenrechter oordeelt dat het beslag geen doel heeft getroffen, zal [partij 2] haar derdenverklaring moeten aanpassen. Zij loopt daarmee het risico dat [partij 3] die derdenverklaring vervolgens betwist in een procedure. De uiterste consequentie daarvan kan zijn dat [partij 2] wordt veroordeeld om het bedrag van € 200.000,- uit eigen zak aan [partij 3] te betalen. Dat strookt volgens [partij 2] niet met haar hoedanigheid als notaris en het uitgangspunt dat een derdebeslagene niet slechter mag worden door het beslag.
Een derdebeslagene loopt echter altijd het risico dat haar derdenverklaring wordt betwist. Het uitgangspunt dat een derdebeslagene niet slechter mag worden van het beslag, kan dus niet op dit risico zien. Bovendien is het zo dat het risico op het voeren van een verklaringsprocedure hier wellicht groter is, omdat al bekend is dat [partij 3] het er niet mee eens zal zijn als [partij 2] zou verklaren dat het beslag toch geen doel heeft getroffen. Maar de kans op een gunstige afloop van een mogelijke verklaringsprocedure is hier groter. Er is in dit vonnis namelijk al geoordeeld dat het beslag geen doel heeft getroffen. Dat oordeel hoeft een andere rechter niet te volgen, maar [partij 2] staat hiermee op voorhand toch sterker dan een willekeurige derdebeslagene
4.28. [partij 2] zegt ook dat zij niet veroordeeld kan worden om het bedrag aan [partij 1] uit te betalen, omdat zij de betaling heeft opgeschort. Die opschorting blijkt nu onterecht, omdat zij het bedrag toen alleen nog maar voor [partij 1] hield. Dat is dus geen belemmering meer.
4.29. [partij 2] vraagt ook om de vordering van [partij 1] alleen toe te wijzen als de voorzieningenrechter tegelijkertijd het beslag opheft of een verklaring van recht geeft dat het beslag geen doel heeft getroffen. Dat kan de voorzieningenrechter niet doen. Opheffing van het beslag is niet gevorderd en een verklaring van recht kan niet worden gegeven in een kort geding, omdat dit geen voorlopige maatregel is. Wél staat in de tekst van dit vonnis al dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beslag geen doel heeft getroffen.
4.30.
De belangen van [partij 2] zijn dus geen reden om de waarborgsom niet aan [partij 1] uit te betalen.
Belangen [partij 3]
4.31.
[partij 3] zegt dat er een te groot risico is dat - als een bodemrechter later oordeelt dat het bedrag op de derdengeldrekening van [partij 2] toch aan [partij 3] had moeten worden uitbetaald - [partij 1] dit bedrag niet aan [partij 3] kan betalen, omdat hij zijn woning wil verkopen en naar het buitenland wil verhuizen.
4.32.
Dit restitutierisico is geen reden om de vordering van [partij 1] af te wijzen, vanwege de aannemelijkheid van de vordering en de hoge mate van spoed (zie 4.10).
[partij 2] en [partij 3] moeten de proceskosten van [partij 1] in de hoofdzaak betalen
4.33. [partij 2] en [partij 3] krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten van [partij 1] betalen. Die kosten worden begroot op:
- betekening oproeping € 144,47
- griffierecht 2.723,00
- salaris advocaat 1.107,00
Totaal € 3.974,47
4.34. [partij 2] vindt dat zij niet in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat zij slechts vanuit haar onpartijdige positie als notaris opkomt voor belangen van anderen. Ook zou zij hierdoor als derdebeslagene worden benadeeld. [partij 2] verwijst naar een twee eerdere uitspraken in kort geding van andere rechtbanken. In de ene uitspraak refereert de notaris zich echter aan het oordeel van de voorzieningenrechter en in de andere komt de notaris niet voor zijn eigen belang op. [partij 2] heeft echter wél verweer gevoerd. Bovendien heeft zij dit gedaan vanwege een zelfstandig belang van zichzelf (risico op veroordeling in verklaringsprocedure). Daarom is een kostenveroordeling in dit geval passend.
4.35.
De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten worden toegewezen op de manier die in “De beslissing” staat.