Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-08
ECLI:NL:RBMNE:2025:5072
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Mondelinge uitspraak
1,817 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11545768 \ MC EXPL 25-880
Proces-verbaal van het mondelinge vonnis, uitgesproken op 8 juli 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Van der Vleuten & Van Hooff Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2025 met 9 producties;
- de conclusie van antwoord met 8 producties;
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 juli 2025 was namens [eiser] de heer [A] , controller, aanwezig. Hij werd door de gemachtigde van [eiser] , de heer [B] , bijgestaanp. [gedaagde] was ook aanwezig.
1.3.
Na afloop van het inhoudelijke debat tijdens de zitting heeft de kantonrechter met partijen de mogelijkheid van een schikking besproken en is de zitting even geschorst. Na de schorsing is gebleken dat partijen geen schikking hebben getroffen en dat zij uitspraak wensen. De kantonrechter heeft meegedeeld dat zij mondeling een vonnis zal wijzen.
Dictum
De kantonrechter:
2.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van:
I. € 5.121,04 aan openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
II. € 237,48 aan wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW tot en met 31 januari 2025;
III. € 763,57 aan buitengerechtelijke incassokosten;
2.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.479,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Motivering
3.1.
Vast staat dat tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst is gesloten uit hoofde waarvan [eiser] winkelruimte ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde] . Deze overeenkomst is per 31 oktober 2024 in onderling overleg beëindigd. De uit hoofde van deze overeenkomst verschuldigde maandelijkse vergoeding over de maanden augustus 2024 tot en met oktober 2024 is door [gedaagde] niet betaald. Voorts is er een door [gedaagde] verschuldigde negatieve omzetafrekening van € 967,50 niet betaald. Redenen waarom [eiser] na een creditering van € 505,76 nog een bedrag heeft te vorderen van in totaal € 5.121,04. [gedaagde] heeft niet betwist dit bedrag verschuldigd te zijn. In principe dient hij dit bedrag dan ook aan [eiser] te betalen.
3.2.
[gedaagde] heeft evenwel een beroep op verrekening gedaan in verband met schade die hij heeft geleden als gevolg van de beëindiging van deze overeenkomst alsmede de andere met [eiser] B.V. gesloten overeenkomst. Volgens [gedaagde] heeft hij daardoor meer schade geleden dan de omvang van de vordering van [eiser] . [gedaagde] heeft ter onderbouwing van dit verrekeningsverweer een tweetal door hemzelf opgestelde overzichten in het geding gebracht alsmede diverse orderbevestigingen. Aan de hand van deze overzichten en de orderbevestigingen is de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze vast te stellen (artikel 6:136 BW). De onderbouwing is onvoldoende. [gedaagde] geeft enkel aan dat [eiser] orders zou hebben geannuleerd dan wel achter zijn rug om zou hebben geprobeerd orders te leveren, maar [eiser] heeft dit betwist. Dit alles betekent dat in onderhavige procedure, bij gebreke van een afdoende onderbouwing, niet kan worden vastgesteld of het verweer van [gedaagde] gegrond is. Aan het verrekeningsverweer wordt derhalve voorbijgegaan. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom van € 5.121,04 toewijsbaar is.
3.3.
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom. [gedaagde] heeft deze vordering niet gemotiveerd betwist, zodat deze vordering eveneens toewijsbaar is.
3.4.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 763,57.
Proceskosten
3.5.
[gedaagde] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten voor de dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.479,73
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. D. Jansen, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op ________________________________.