Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-27
ECLI:NL:RBMNE:2025:4922
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4613-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 op het verzet van
[persoon] , te [plaats 1] , opposant.
Inleiding en procesverloop
Opposant heeft op 20 september 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat de minister van Justitie en Veiligheid niet tijdig zou hebben beslist op de verzoeken van opposant tot inzage in zijn dossiers van de penitentiaire inrichtingen in [plaats 2] en [plaats 1] .
Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder daartoe eerst een zitting te houden. De rechtbank overwoog hiertoe dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 11 december 2024 uitspraak had gedaan, inhoudende dat deze dossiers al waren vernietigd. Opposant kon met zijn beroep van 20 september 2023 niet meer bereiken dat hij (alsnog) inzage kreeg in deze dossiers. Het was de rechtbank verder onduidelijk wat opposant nog anders of meer had willen bereiken met zijn beroep.
Opposant heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Hij heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Deze uitspraak gaat over dit verzet.
Overwegingen
1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van het beroep van
20 september 2023 de zaak, heeft zij op 20 januari 2025 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van 20 januari 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist. Hij voert aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat opposant om inzage in de genoemde dossier heeft verzocht. Opposant heeft met zijn beroep van 20 september 2023 evenwel beoogd om de schending van zijn privacy aan de orde te stellen. Ook voert opposant aan dat de rechtbank pas na één jaar en vier maanden uitspraak heeft gedaan op zijn beroep van 20 september 2023.
4. De rechtbank maakt uit het beroep van 20 september 2023 op dat opposant verzoeken tot inzage van zijn dossiers heeft ingediend bij de penitentiaire inrichtingen in [plaats 2] en [plaats 1] . Volgens opposant heeft de bevoegde instantie niet tijdig op die verzoeken gereageerd. Voorts heeft opposant in zeer algemene zin aangevoerd dat medewerkers van DJI zijn privacy hebben geschonden.
5. Gelet hierop is het begrijpelijk dat de rechtbank in haar uitspraak van 20 januari 2025 is ingegaan de kwestie met betrekking tot de inzage. Voor zover het beroep van
20 september 2023 mede betrekking had op privacyschending, dan was dit in dermate algemene bewoordingen omschreven, dat het voor de rechtbank niet duidelijk was wat opposant hiermee heeft willen of kunnen bereiken. De rechtbank is daarom terecht niet inhoudelijk ingegaan op dit aspect van het beroep van 20 september 2023. De verzetsprocedure leent zich er niet voor om onduidelijke beroepsgronden op te helderen, om op die manier bewerkstelligd te krijgen dat de rechtbank hierop alsnog ingaat. De verzetsgrond treft dus geen doel.
6. De rechtbank is het met opposant eens dat er veel tijd heeft gezeten tussen het moment waarop opposant zijn beroep heeft ingediend en het moment waarop de rechtbank hierop uitspraak heeft gedaan. De wetgever heeft aan dit tijdsverloop evenwel geen consequenties verbonden. Opposant heeft ook niet aangevoerd waartoe dit tijdsverloop volgens hem zou moeten leiden. Ook deze verzetsgrond treft dus geen doel.
7. Eén en ander leidt ertoe dat het verzet ongegrond is. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht geoordeeld dat het beroep van opposant van 20 september 2023 kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank heeft dat beroep daarom mogen afdoen met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. De uitspraak van de rechtbank van
20 januari 2025 blijft dus in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
ECLI:NL:RBMNE:2025:556.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4613-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 op het verzet van
[persoon] , te [plaats 1] , opposant.
Inleiding en procesverloop
Opposant heeft op 20 september 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat de minister van Justitie en Veiligheid niet tijdig zou hebben beslist op de verzoeken van opposant tot inzage in zijn dossiers van de penitentiaire inrichtingen in [plaats 2] en [plaats 1] .
Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder daartoe eerst een zitting te houden. De rechtbank overwoog hiertoe dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 11 december 2024 uitspraak had gedaan, inhoudende dat deze dossiers al waren vernietigd. Opposant kon met zijn beroep van 20 september 2023 niet meer bereiken dat hij (alsnog) inzage kreeg in deze dossiers. Het was de rechtbank verder onduidelijk wat opposant nog anders of meer had willen bereiken met zijn beroep.
Opposant heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Hij heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Deze uitspraak gaat over dit verzet.
Overwegingen
1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van het beroep van
20 september 2023 de zaak, heeft zij op 20 januari 2025 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van 20 januari 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2025 niet juist. Hij voert aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat opposant om inzage in de genoemde dossier heeft verzocht. Opposant heeft met zijn beroep van 20 september 2023 evenwel beoogd om de schending van zijn privacy aan de orde te stellen. Ook voert opposant aan dat de rechtbank pas na één jaar en vier maanden uitspraak heeft gedaan op zijn beroep van 20 september 2023.
4. De rechtbank maakt uit het beroep van 20 september 2023 op dat opposant verzoeken tot inzage van zijn dossiers heeft ingediend bij de penitentiaire inrichtingen in [plaats 2] en [plaats 1] . Volgens opposant heeft de bevoegde instantie niet tijdig op die verzoeken gereageerd. Voorts heeft opposant in zeer algemene zin aangevoerd dat medewerkers van DJI zijn privacy hebben geschonden.
5. Gelet hierop is het begrijpelijk dat de rechtbank in haar uitspraak van 20 januari 2025 is ingegaan de kwestie met betrekking tot de inzage. Voor zover het beroep van
20 september 2023 mede betrekking had op privacyschending, dan was dit in dermate algemene bewoordingen omschreven, dat het voor de rechtbank niet duidelijk was wat opposant hiermee heeft willen of kunnen bereiken. De rechtbank is daarom terecht niet inhoudelijk ingegaan op dit aspect van het beroep van 20 september 2023. De verzetsprocedure leent zich er niet voor om onduidelijke beroepsgronden op te helderen, om op die manier bewerkstelligd te krijgen dat de rechtbank hierop alsnog ingaat. De verzetsgrond treft dus geen doel.
6. De rechtbank is het met opposant eens dat er veel tijd heeft gezeten tussen het moment waarop opposant zijn beroep heeft ingediend en het moment waarop de rechtbank hierop uitspraak heeft gedaan. De wetgever heeft aan dit tijdsverloop evenwel geen consequenties verbonden. Opposant heeft ook niet aangevoerd waartoe dit tijdsverloop volgens hem zou moeten leiden. Ook deze verzetsgrond treft dus geen doel.
7. Eén en ander leidt ertoe dat het verzet ongegrond is. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 januari 2025 terecht geoordeeld dat het beroep van opposant van 20 september 2023 kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank heeft dat beroep daarom mogen afdoen met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. De uitspraak van de rechtbank van
20 januari 2025 blijft dus in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
ECLI:NL:RBMNE:2025:556.