Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-09-11
ECLI:NL:RBMNE:2025:4875
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,828 tokens
Dictum
op de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen:
[veroordeelde]
geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de veroordeelde).
Procesverloop
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2017, bevestigd door de Hoge Raad op 20 februari 2018, is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren. De tenuitvoerlegging hiervan is gestart op 17 juli 2014 (vanaf dat moment zat verdachte in voorlopige hechtenis, waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden).
Bij schriftelijke vordering van 27 januari 2025 heeft de officier van justitie uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) voor de duur van 180 dagen gevorderd. Op 4 maart 2024 heeft deze rechtbank de vordering tot uitstel van de VI toegewezen, omdat – kort gezegd – er op dat moment nog geen forensisch psychiatrische kliniek was waar de veroordeelde geplaatst kon worden en zonder deze plaatsing in een kliniek (die wel als voorwaarde bij de VI moet worden opgenomen) het recidiverisico onvoldoende kon worden ingeperkt. De voorlopige datum van de VI is hiermee uitgesteld naar 10 september 2025.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 28 juli 2025 opnieuw uitstel van de VI gevorderd. De vordering strekt ertoe dat de rechtbank de VI met een termijn van 365 dagen zal uitstellen, of zoveel korter als noodzakelijk is om aan detentie aansluitende plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek mogelijk te maken.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 28 juli 2025 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
2. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2025. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. H.J. Lambers;
- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. Klewer, advocaat te Rotterdam;
- de heer [A] , maatschappelijk werker in de PI [locatie] ;
- de mevrouw M.S.D. Derks, reclasseringswerker;
- de mevrouw K. de Vos, reclasseringswerker.
3De inhoud van de vordering
De grond waarop de vordering berust houdt kort gezegd in dat het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor het plegen van misdrijven op dit moment onvoldoende kan inperken, omdat er (nog steeds) geen plek in een forensisch psychiatrische kliniek is gevonden voor de veroordeelde. Zonder de mogelijkheid van plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek, direct aansluitend op detentie van de veroordeelde, kunnen de risico's die aan een invrijheidstelling van de veroordeelde zijn verbonden niet voldoende worden beperkt en beheerst. Dit volgt uit de rapporten van de reclassering van 23 december 2024 en 15 juli 2025 en de rapporten van de directeur van de penitentiaire inrichting van 24 december 2024 en 11 juli 2025 (hierna: de rapporten). De noodzaak van een stapsgewijze, gestructureerde en gefaseerde re-integratie van de veroordeelde in de samenleving, ingebed in een sterk zorgkader, is nog onverkort aanwezig.
Op basis van de beschikbare informatie in het VI-dossier van de veroordeelde is het Openbaar Ministerie wel voornemens om de VI van de veroordeelde, bij beschikbaarheid van een plek in een forensisch psychiatrische kliniek, onder bijzondere voorwaarden te laten aanvangen. Uit de rapporten blijkt dat het beeld ten aanzien van de risico's, het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie en zijn medewerking aan interventies niet wezenlijk is veranderd (zowel in positieve als in negatieve zin).
Het Openbaar Ministerie ziet zich genoodzaakt om bij de huidige stand van zaken een langere periode van uitstel van de VI van de veroordeelde te vorderen dan in de eerdere vordering, namelijk 365 dagen in plaats van 180 dagen. Uit de rapporten volgt dat onduidelijkheid over de plaatsing tot spanningen leidt bij de veroordeelde. Mocht onverhoopt een plaatsing van betrokkene in forensisch psychiatrische kliniek [kliniek] , welke kliniek onder voorbehoud akkoord is gegaan met plaatsing van de veroordeelde, geen doorgang kunnen vinden, dan dient opnieuw uitvoerig en zorgvuldig onderzoek gedaan te worden naar een geschikte plek voor betrokkene in een beveiligde omgeving. Het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is echter dat uitstel van de VI niet langer duurt dan strikt noodzakelijk om de veroordeelde zo snel mogelijk te kunnen plaatsen in een forensisch psychiatrische kliniek.
4De rapportages en toelichting daarop
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 15 juli 2025 blijkt dat de reclassering in de afgelopen periode veelvuldig contact heeft gehad met de Divisie Individuele Zaken (hierna: DIZ) in het kader van de klinische plaatsing van de veroordeelde. De DIZ heeft de veroordeelde bij diverse forensisch psychiatrische klinieken aangemeld en hierop ook diverse afwijzingen gekregen. De forensisch psychiatrische kliniek [kliniek] is akkoord gegaan met het plannen van een intake met de veroordeelde en zijn behandelaar in de PI. De intake heeft plaatsgevonden op 6 juni 2025 en naar aanleiding hiervan is de opname bij [kliniek] door hen positief bevonden. Op bestuurlijk niveau dient er echter nog overleg en afstemming plaats te vinden. De gemeente waarin [kliniek] zich bevindt wil eerst afstemmen met de gemeente waar de veroordeelde oorspronkelijk vandaan komt.
De reclassering vindt het noodzakelijk dat de plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek aansluitend aan de detentie van de veroordeelde plaatsvindt. Daarom adviseert de reclassering de VI uit te stellen tot aan plaatsing van de veroordeelde in een forensisch psychiatrische kliniek. Tijdens de re-integratie van de veroordeelde dient er volgens de reclassering intensief begeleid te worden gericht op het beperkt probleemoplossend vermogen, verslaving, spanningsregulatie, sociale afwijzing/eenzaamheid en moet er aandacht zijn voor seksualiteit.
Advies van de PI
Uit het VI-advies van de PI blijkt dat de veroordeelde de beslissing van de rechtbank van 4 maart 2025 kon omarmen en dat hij opgelucht was. Hij werd echter meteen nieuwsgierig of de aanmelding voor een forensisch psychiatrische kliniek al gestart was en wanneer hij zou weten welke kliniek het zou worden. Het direct zoeken naar duidelijkheid ging gepaard met spanningen, wat ook zichtbaar was voor het multidisciplinaire team. De veroordeelde vroeg veel ondersteuning. Omdat er op dat moment nog geen aanmelding kon plaatsvinden, stegen de spanningen bij hem. Het omgaan met deze spanningen ging moeizaam. De veroordeelde vroeg wel om gesprekken, maar reageerde soms impulsief door snel te willen escaleren. Dit deed hij door bijvoorbeeld zijn advocaat in te willen schakelen, in beklag te gaan of het afdelingshoofd te willen spreken. Vaak kon de veroordeelde hier echter op constructieve wijze op terugkomen, soms uit eigen initiatief en soms na reflectie in een gesprek met personeel. Op dit moment loopt er een aanmelding bij een forensisch psychiatrische kliniek en dit zal de komende periode voor verdere spanning bij de veroordeelde zorgen.
Ook de PI vindt het belangrijk dat de veroordeelde direct geplaatst wordt vanuit detentie naar een kliniek. Vanuit een eerder gemeenschappelijk overleg met veiligheidshuizen, de reclassering, slachtofferbelangen, de casemanager en de behandelcoördinator is al geconcludeerd dat in het kader van VI het wenselijk is dat de veroordeelde binnen een forensisch klinische setting geplaatst gaat worden om van daaruit verder te resocialiseren. Plaatsing in een forensische kliniek waarbij de veroordeelde gefaseerd onder begeleiding kan oefenen met vrijheden onder de vleugel van justitie draagt bij aan een goede overgang naar buiten. Na plaatsing in de forensische kliniek kan mogelijk een vervolgstap naar beschermd wonen vormgegeven worden. Dit zodat de bijzondere voorwaarden als stok achter de deur kunnen blijven gelden.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:2:12, eerste lid, onder d, van het Wetboek van Strafvordering (oud) kan onder meer een voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of achterwege blijven, indien door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting vast dat het noodzakelijk is dat de veroordeelde vanuit detentie wordt geplaatst in een forensisch psychiatrische kliniek. Het gefaseerd en onder begeleiding oefenen met vrijheden onder de vleugel van justitie draagt bij aan een goede overgang van de veroordeelde vanuit detentie naar buiten. In de afgelopen tijd is het beeld ten aanzien van de risico's, het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie en zijn medewerking aan interventies, ten opzichte van de vorige zitting bij de rechtbank, niet wezenlijk veranderd. Hoewel de reclassering in samenwerking met de DIZ bezig is om de veroordeelde binnen een forensisch psychiatrische kliniek te plaatsen en er zicht is op plaatsing binnen [kliniek] , vindt er nog bestuurlijk overleg plaats voordat hierop definitief akkoord kan worden gegeven. Of en wanneer de veroordeelde bij [kliniek] kan worden geplaatst is dus nog niet bekend. De rechtbank is van oordeel dat daarmee is voldaan aan het wettelijke criterium onder 6.2.12 onder d (oud) van het Wetboek van Strafvordering nu het (nog) niet mogelijk is voorwaarden te stellen om het recidiverisico voldoende in te perken en dat de VI daarom moet worden uitgesteld.
Met betrekking tot de termijn waarmee de VI moet worden uitgesteld overweegt de rechtbank dat het - gelet op hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht - aannemelijk is dat plaatsing van de veroordeelde in een forensisch psychiatrische kliniek meer tijd in beslag zal nemen dan 180 dagen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zinvol om de VI uit te stellen met 180 dagen, zoals door de verdediging is gevraagd. Verder zijn er geen redenen om aan te nemen dat het Openbaar Ministerie, de reclassering en DIZ niet voortvarend handelen en dat geen bevel tot invrijheidstelling van de veroordeelde door het Openbaar Ministerie zal worden gegeven zodra er wel een plek in een forensisch psychiatrische kliniek beschikbaar is. In de vordering tot uitstel van VI staat immers dat het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is dat uitstel van de VI niet langer duurt dan strikt noodzakelijk. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen en de VI uitstellen voor een periode van maximaal 365 dagen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel toe;
- bepaalt de duur waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van maximaal 365 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. L.C. Michon en H.A. Gerritse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten als griffier en uitgesproken ter openbaar terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2025.
Mr. L.C. Michon is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Dictum
op de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen:
[veroordeelde]
geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de veroordeelde).
Procesverloop
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2017, bevestigd door de Hoge Raad op 20 februari 2018, is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren. De tenuitvoerlegging hiervan is gestart op 17 juli 2014 (vanaf dat moment zat verdachte in voorlopige hechtenis, waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden).
Bij schriftelijke vordering van 27 januari 2025 heeft de officier van justitie uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) voor de duur van 180 dagen gevorderd. Op 4 maart 2024 heeft deze rechtbank de vordering tot uitstel van de VI toegewezen, omdat – kort gezegd – er op dat moment nog geen forensisch psychiatrische kliniek was waar de veroordeelde geplaatst kon worden en zonder deze plaatsing in een kliniek (die wel als voorwaarde bij de VI moet worden opgenomen) het recidiverisico onvoldoende kon worden ingeperkt. De voorlopige datum van de VI is hiermee uitgesteld naar 10 september 2025.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 28 juli 2025 opnieuw uitstel van de VI gevorderd. De vordering strekt ertoe dat de rechtbank de VI met een termijn van 365 dagen zal uitstellen, of zoveel korter als noodzakelijk is om aan detentie aansluitende plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek mogelijk te maken.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 28 juli 2025 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
2. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2025. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. H.J. Lambers;
- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. Klewer, advocaat te Rotterdam;
- de heer [A] , maatschappelijk werker in de PI [locatie] ;
- de mevrouw M.S.D. Derks, reclasseringswerker;
- de mevrouw K. de Vos, reclasseringswerker.
3De inhoud van de vordering
De grond waarop de vordering berust houdt kort gezegd in dat het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor het plegen van misdrijven op dit moment onvoldoende kan inperken, omdat er (nog steeds) geen plek in een forensisch psychiatrische kliniek is gevonden voor de veroordeelde. Zonder de mogelijkheid van plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek, direct aansluitend op detentie van de veroordeelde, kunnen de risico's die aan een invrijheidstelling van de veroordeelde zijn verbonden niet voldoende worden beperkt en beheerst. Dit volgt uit de rapporten van de reclassering van 23 december 2024 en 15 juli 2025 en de rapporten van de directeur van de penitentiaire inrichting van 24 december 2024 en 11 juli 2025 (hierna: de rapporten). De noodzaak van een stapsgewijze, gestructureerde en gefaseerde re-integratie van de veroordeelde in de samenleving, ingebed in een sterk zorgkader, is nog onverkort aanwezig.
Op basis van de beschikbare informatie in het VI-dossier van de veroordeelde is het Openbaar Ministerie wel voornemens om de VI van de veroordeelde, bij beschikbaarheid van een plek in een forensisch psychiatrische kliniek, onder bijzondere voorwaarden te laten aanvangen. Uit de rapporten blijkt dat het beeld ten aanzien van de risico's, het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie en zijn medewerking aan interventies niet wezenlijk is veranderd (zowel in positieve als in negatieve zin).
Het Openbaar Ministerie ziet zich genoodzaakt om bij de huidige stand van zaken een langere periode van uitstel van de VI van de veroordeelde te vorderen dan in de eerdere vordering, namelijk 365 dagen in plaats van 180 dagen. Uit de rapporten volgt dat onduidelijkheid over de plaatsing tot spanningen leidt bij de veroordeelde. Mocht onverhoopt een plaatsing van betrokkene in forensisch psychiatrische kliniek [kliniek] , welke kliniek onder voorbehoud akkoord is gegaan met plaatsing van de veroordeelde, geen doorgang kunnen vinden, dan dient opnieuw uitvoerig en zorgvuldig onderzoek gedaan te worden naar een geschikte plek voor betrokkene in een beveiligde omgeving. Het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is echter dat uitstel van de VI niet langer duurt dan strikt noodzakelijk om de veroordeelde zo snel mogelijk te kunnen plaatsen in een forensisch psychiatrische kliniek.
4De rapportages en toelichting daarop
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 15 juli 2025 blijkt dat de reclassering in de afgelopen periode veelvuldig contact heeft gehad met de Divisie Individuele Zaken (hierna: DIZ) in het kader van de klinische plaatsing van de veroordeelde. De DIZ heeft de veroordeelde bij diverse forensisch psychiatrische klinieken aangemeld en hierop ook diverse afwijzingen gekregen. De forensisch psychiatrische kliniek [kliniek] is akkoord gegaan met het plannen van een intake met de veroordeelde en zijn behandelaar in de PI. De intake heeft plaatsgevonden op 6 juni 2025 en naar aanleiding hiervan is de opname bij [kliniek] door hen positief bevonden. Op bestuurlijk niveau dient er echter nog overleg en afstemming plaats te vinden. De gemeente waarin [kliniek] zich bevindt wil eerst afstemmen met de gemeente waar de veroordeelde oorspronkelijk vandaan komt.
De reclassering vindt het noodzakelijk dat de plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek aansluitend aan de detentie van de veroordeelde plaatsvindt. Daarom adviseert de reclassering de VI uit te stellen tot aan plaatsing van de veroordeelde in een forensisch psychiatrische kliniek. Tijdens de re-integratie van de veroordeelde dient er volgens de reclassering intensief begeleid te worden gericht op het beperkt probleemoplossend vermogen, verslaving, spanningsregulatie, sociale afwijzing/eenzaamheid en moet er aandacht zijn voor seksualiteit.
Advies van de PI
Uit het VI-advies van de PI blijkt dat de veroordeelde de beslissing van de rechtbank van 4 maart 2025 kon omarmen en dat hij opgelucht was. Hij werd echter meteen nieuwsgierig of de aanmelding voor een forensisch psychiatrische kliniek al gestart was en wanneer hij zou weten welke kliniek het zou worden. Het direct zoeken naar duidelijkheid ging gepaard met spanningen, wat ook zichtbaar was voor het multidisciplinaire team. De veroordeelde vroeg veel ondersteuning. Omdat er op dat moment nog geen aanmelding kon plaatsvinden, stegen de spanningen bij hem. Het omgaan met deze spanningen ging moeizaam. De veroordeelde vroeg wel om gesprekken, maar reageerde soms impulsief door snel te willen escaleren. Dit deed hij door bijvoorbeeld zijn advocaat in te willen schakelen, in beklag te gaan of het afdelingshoofd te willen spreken. Vaak kon de veroordeelde hier echter op constructieve wijze op terugkomen, soms uit eigen initiatief en soms na reflectie in een gesprek met personeel. Op dit moment loopt er een aanmelding bij een forensisch psychiatrische kliniek en dit zal de komende periode voor verdere spanning bij de veroordeelde zorgen.
Ook de PI vindt het belangrijk dat de veroordeelde direct geplaatst wordt vanuit detentie naar een kliniek. Vanuit een eerder gemeenschappelijk overleg met veiligheidshuizen, de reclassering, slachtofferbelangen, de casemanager en de behandelcoördinator is al geconcludeerd dat in het kader van VI het wenselijk is dat de veroordeelde binnen een forensisch klinische setting geplaatst gaat worden om van daaruit verder te resocialiseren. Plaatsing in een forensische kliniek waarbij de veroordeelde gefaseerd onder begeleiding kan oefenen met vrijheden onder de vleugel van justitie draagt bij aan een goede overgang naar buiten. Na plaatsing in de forensische kliniek kan mogelijk een vervolgstap naar beschermd wonen vormgegeven worden. Dit zodat de bijzondere voorwaarden als stok achter de deur kunnen blijven gelden.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:2:12, eerste lid, onder d, van het Wetboek van Strafvordering (oud) kan onder meer een voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of achterwege blijven, indien door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting vast dat het noodzakelijk is dat de veroordeelde vanuit detentie wordt geplaatst in een forensisch psychiatrische kliniek. Het gefaseerd en onder begeleiding oefenen met vrijheden onder de vleugel van justitie draagt bij aan een goede overgang van de veroordeelde vanuit detentie naar buiten. In de afgelopen tijd is het beeld ten aanzien van de risico's, het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie en zijn medewerking aan interventies, ten opzichte van de vorige zitting bij de rechtbank, niet wezenlijk veranderd. Hoewel de reclassering in samenwerking met de DIZ bezig is om de veroordeelde binnen een forensisch psychiatrische kliniek te plaatsen en er zicht is op plaatsing binnen [kliniek] , vindt er nog bestuurlijk overleg plaats voordat hierop definitief akkoord kan worden gegeven. Of en wanneer de veroordeelde bij [kliniek] kan worden geplaatst is dus nog niet bekend. De rechtbank is van oordeel dat daarmee is voldaan aan het wettelijke criterium onder 6.2.12 onder d (oud) van het Wetboek van Strafvordering nu het (nog) niet mogelijk is voorwaarden te stellen om het recidiverisico voldoende in te perken en dat de VI daarom moet worden uitgesteld.
Met betrekking tot de termijn waarmee de VI moet worden uitgesteld overweegt de rechtbank dat het - gelet op hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht - aannemelijk is dat plaatsing van de veroordeelde in een forensisch psychiatrische kliniek meer tijd in beslag zal nemen dan 180 dagen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zinvol om de VI uit te stellen met 180 dagen, zoals door de verdediging is gevraagd. Verder zijn er geen redenen om aan te nemen dat het Openbaar Ministerie, de reclassering en DIZ niet voortvarend handelen en dat geen bevel tot invrijheidstelling van de veroordeelde door het Openbaar Ministerie zal worden gegeven zodra er wel een plek in een forensisch psychiatrische kliniek beschikbaar is. In de vordering tot uitstel van VI staat immers dat het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is dat uitstel van de VI niet langer duurt dan strikt noodzakelijk. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen en de VI uitstellen voor een periode van maximaal 365 dagen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel toe;
- bepaalt de duur waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van maximaal 365 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. L.C. Michon en H.A. Gerritse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten als griffier en uitgesproken ter openbaar terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2025.
Mr. L.C. Michon is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.