Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-09-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:4798
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3690
uitspraak van de rechtbank/enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib)
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 12 juni 2025, omdat verweerder volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag ex-toeslagpartnerregeling.
Verweerder heeft op 26 juni 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser.
Verweerder heeft op 2 juli 2025 in zijn verweerschrift laten weten dat hij het griffierecht en een proceskostenvergoeding wil betalen aan eiser.
Eiser heeft op 25 juli 2025 laten weten akkoord te zijn met het intrekken van het beroep als het griffierecht en de proceskosten worden vergoed.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Verweerder heeft op 2 juli 2025 een verweerschrift ingediend, waarin verweerder aangeeft dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat inmiddels een besluit op de aanvraag is genomen. Verweerder erkent dat het beroep op zichzelf terecht is ingesteld en dat zij het griffierecht en een proceskostenvergoeding moeten terugbetalen aan eiser. De zaak dient daarbij wel als “licht gewicht” te worden gekwalificeerd (wegingsfactor 0,5).
5. Eiser heeft vervolgens te kennen gegeven akkoord te zijn met intrekking van het beroep als het griffierecht en de proceskosten worden vergoed. Gelet op die voorwaarde die eiser heeft verbonden aan de intrekking van het beroep, gaat de rechtbank ervan uit dat het dat beroep niet is ingetrokken.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels met het besluit van 26 juni 2025 heeft beslist op de aanvraag van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
8. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser betalen. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:54 van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3690
uitspraak van de rechtbank/enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib)
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 12 juni 2025, omdat verweerder volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag ex-toeslagpartnerregeling.
Verweerder heeft op 26 juni 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser.
Verweerder heeft op 2 juli 2025 in zijn verweerschrift laten weten dat hij het griffierecht en een proceskostenvergoeding wil betalen aan eiser.
Eiser heeft op 25 juli 2025 laten weten akkoord te zijn met het intrekken van het beroep als het griffierecht en de proceskosten worden vergoed.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Verweerder heeft op 2 juli 2025 een verweerschrift ingediend, waarin verweerder aangeeft dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat inmiddels een besluit op de aanvraag is genomen. Verweerder erkent dat het beroep op zichzelf terecht is ingesteld en dat zij het griffierecht en een proceskostenvergoeding moeten terugbetalen aan eiser. De zaak dient daarbij wel als “licht gewicht” te worden gekwalificeerd (wegingsfactor 0,5).
5. Eiser heeft vervolgens te kennen gegeven akkoord te zijn met intrekking van het beroep als het griffierecht en de proceskosten worden vergoed. Gelet op die voorwaarde die eiser heeft verbonden aan de intrekking van het beroep, gaat de rechtbank ervan uit dat het dat beroep niet is ingetrokken.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels met het besluit van 26 juni 2025 heeft beslist op de aanvraag van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
8. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser betalen. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 8:54 van de Awb.