Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:472
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,154 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/221518-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [1995] in [geboorteplaats] ,
wonende [adres] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 december 2024, 19 december 2024, 14 januari 2025 en 17 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.H. Hoogendam en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.E. Toet, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat mr. E.P. Ceulen en mr. T. Rezaie en de gemachtigden, mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de benadeelde partijen die zij bijstaan, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard in Utrecht (Herculesplein, Israëlslaan en Tamboersdijk) zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4VRIJSPRAAK
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
4.3
Beoordeling
Algemene vrijspraakoverwegingen
De rechtbank heeft binnen onderzoek 03Waard24 strafzaken behandeld tegen 28 verdachten. In zeven zaken, waaronder deze, komt de rechtbank tot een integrale vrijspraak. In algemene zin overweegt de rechtbank daarover als volgt.
In deze zaken is door de verdachte geen (deels) bekennende verklaring afgelegd. Het bewijs moet dan volgen uit de processen-verbaal die de politie over de camerabeelden en van de herkenningen heeft opgemaakt. Door het Openbaar Ministerie is meermaals benadrukt dat die processen-verbaal dragend zijn voor het bewijs en dat de aan het dossier gevoegde camerabeelden slechts ter illustratie dienen.
De dossiers tegen de verdachten zijn grotendeels hetzelfde opgebouwd. Het dossier bevat telkens één of meer processen-verbaal van herkenning van de verdachte op basis van camerabeelden en een proces-verbaal met daarin een beschrijving van de (gewelds)handelingen die de verdachte zou hebben verricht, zoals op de beelden is te zien.
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dat geldt te meer, indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kunnen aantonen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een ambtshalve herkenning aan de hand van afbeeldingen/beelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen/beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Verder is van belang of de herkenning onafhankelijk tot stand is gekomen en of er sprake is van voorkennis.
In een aantal van de zeven zaken waar de rechtbank tot vrijspraak komt, zijn naar het oordeel van de rechtbank zowel de processen-verbaal van herkenning als de beschrijving van de camerabeelden onvoldoende controleerbaar en overtuigend om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de indruk heeft dat de beschikbare beelden op zich voldoende zijn om tot betrouwbare en overtuigende herkenningen te kunnen komen en te omschrijven welke geweldshandelingen een verdachte heeft verricht, maar dat de politie hierbij onzorgvuldig te werk is gegaan.
In veel dossiers zitten processen-verbaal van herkenning van dezelfde verbalisant of verbalisanten. Meestal gaat het daarbij om ambtshalve herkenningen. De verbalisanten lijken daarbij gebruik te hebben gemaakt van een standaard format voor het proces-verbaal. De rechtbank ziet in veel zaken namelijk dezelfde tekortkomingen terugkomen: de processen-verbaal zijn tegenstrijdig over de vraag of is herkend aan de hand van bewegende beelden of aan de hand van foto’s/stills en er wordt niet duidelijk omschreven op welke bewegende beelden of foto’s de verdachte is herkend. Daarbij is er telkens voor gekozen (kennelijk omwille van de anonimiteit van de verbalisanten) om bij de ambtshalve herkenning niet nader te omschrijven hoe (goed) de verbalisant de desbetreffende verdachte kent. Deze combinatie van factoren maakt het de rechtbank niet (goed) mogelijk de betrouwbaarheid van deze ambtshalve herkenningen te beoordelen.
Verder is van belang dat de herkenningen vaak (lijken te) zijn gedaan aan de hand van beelden waarop een verdachte geen geweldshandelingen pleegt. Meestal lijkt het daarbij te gaan om beelden van momenten (ruim) voorafgaand aan de rellen. Het moet dan navolgbaar zijn hoe geconcludeerd wordt dat diezelfde herkende verdachte later, tijdens de rellen, geweld heeft gepleegd. Deze uitleg ontbreekt in de zaken. In de processen-verbaal waarin de handelingen van een verdachte worden beschreven, wordt er telkens van uitgegaan dat op de verschillende camerabeelden dezelfde verdachte is te zien. Voor de rechtbank is vaak niet navolgbaar waarom het telkens om dezelfde verdachte zou moeten gaan. Het zou kunnen dat de verbalisant de desbetreffende verdachte op verschillende camerabeelden, gemaakt door verschillende camera’s op meerdere locaties, telkens heeft kunnen volgen en daarom heeft vastgesteld dat het steeds dezelfde persoon is. In dat geval is het voldoende wanneer die verdachte op één van deze camerabeelden is herkend. Echter, de verbalisanten beschrijven niet dat de verschillende camerabeelden op deze manier op elkaar passen. Dat betekent dat, om te kunnen concluderen dat het op de verschillende beelden telkens om dezelfde verdachte gaat, telkens een nieuwe herkenning nodig is aan de hand van uiterlijk, kledingsignalement, postuur en/of andere onderscheidende kenmerken. Maar ook die herkenningen komen in de processen-verbaal niet terug, terwijl in veel gevallen een deel van de beelden ook niet van voldoende kwaliteit lijkt te zijn om een afzonderlijke herkenning op basis daarvan mogelijk te maken. Gelet hierop kan de rechtbank niet zonder meer de aanname volgen dat het in deze processen-verbaal telkens om dezelfde verdachte gaat.
Eventuele aanhouding
De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de zaken moet worden aangehouden voor nader onderzoek. Een deel van de geconstateerde onzorgvuldigheden, lijkt immers vatbaar voor herstel. Het gaat daarnaast om een ernstige verdenking met grote gevolgen voor slachtoffers en de maatschappij, zodat niet te snel tot vrijspraak moet worden overgegaan wanneer nader onderzoek voor de hand ligt. Daar staat tegenover dat door de verdediging van meerdere verdachten is gewezen op de onzorgvuldige processen-verbaal. Dat heeft het Openbaar Ministerie er niet toe gebracht (subsidiair en of in voorwaardelijke zin) te vragen om aanhouding om het dossier op die punten aan te vullen of te verbeteren. Daarnaast lenen de processen-verbaal van herkenning zich naar het oordeel van de rechtbank niet direct voor verbetering of aanvulling. Met een aanvulling, op verzoek of instructie van de rechtbank, kan dan niet meer gesproken worden van een onafhankelijk tot stand gekomen herkenning, die is gedaan zonder voorinformatie. Bij die stand van zaken heeft de rechtbank besloten af te zien van aanhouding voor het laten opmaken van aanvullende processen-verbaal.
Overwegingen
Drie verbalisanten hebben verdachte herkend als […] . Verdachte herkent zichzelf wel op een beeld waarbij hij een polo draagt (foto 2 op pagina 7 van het dossier), maar niet op andere foto’s en beelden waarop een persoon is te zien met een lange zwarte jas en grote capuchon. De foto waarop verdachte zichzelf herkend is van een moment voordat de rellen waren begonnen.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte ambtshalve herkend. In zijn proces-verbaal wordt enerzijds geverbaliseerd dat hij een aantal van de beelden heeft bekeken. Anderzijds is in het proces-verbaal opgenomen dat verbalisant verdachte onmiddellijk herkende toen hij ‘de foto zag’. Als de verbalisant verdachte heeft herkend op een foto, is voor de rechtbank onduidelijk welke foto dat is geweest. De foto’s die in het proces-verbaal zijn opgenomen, zijn van matige kwaliteit. Daarnaast is op één foto het gezicht van de persoon niet te zien en op een andere foto slechts ten dele. De foto’s geven naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende duidelijk beeld van de gezichtskenmerken om een herkenning op te kunnen baseren. Als de herkenning toch aan de hand van bewegende beelden is gedaan, is voor de rechtbank onduidelijk op basis van welke beelden dat is gebeurd, omdat het proces-verbaal slechts in algemene zin verwijst naar beelden van de voetbalrellen van 26 mei 2024. Daarmee kan de rechtbank niet beoordelen of de beelden die zijn gebruikt voor de herkenning van voldoende kwaliteit zijn. Tot slot wordt in het proces-verbaal niet nader uitgelegd waaruit het ‘ambtshalve kennen’ bestaat. Niet is geverbaliseerd hoe vaak en hoe recent de verbalisant contact heeft gehad met verdachte en op welke manier. Gelet op het voorgaande kan de betrouwbaarheid van de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] niet worden beoordeeld.
De herkenning door verbalisant [verbalisant 2] betreft een vergelijking. Aan dergelijke herkenningen komt in de regel minder bewijswaarde toe dan aan ambtshalve herkenningen, omdat het in feite gaat om de vaststelling dat er (grote) overeenkomsten zijn tussen de verdachte en de persoon op beeld. Het ‘herinneringsbeeld’ dat een verbalisant bij een ambtshalve herkenning van een verdachte heeft, en dat een herkenning juist betrouwbaar kan maken, speelt bij deze soort herkenning geen rol. Daarom is bij dit soort herkenningen de kwaliteit van de beelden en de manier waarop de persoon in kwestie daarop is te zien zeer belangrijk. In het proces-verbaal van [verbalisant 2] , één van de verbalisanten die verdachte heeft verhoord, lijkt hij in eerste instantie te verbaliseren dat hij verdachte op bewegende beelden, zoals getoond bij het verhoor, heeft herkend. Daarna wordt echter expliciet geverbaliseerd dat hij verdachte, zoals die voor hem zat, heeft vergeleken én herkend met/op screenshot 1 en 2 die ook als bijlage bij het proces-verbaal van het verhoor zitten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de herkenning zich tot deze twee stills beperkt, wat ook navolgbaar is omdat het gezicht van de persoon op deze stills relatief goed zichtbaar is, in tegenstelling tot de beelden van de persoon die geweldshandelingen verricht. Op screenshot 2 heeft verdachte zichzelf ook herkend. Verdachte draagt daar een zwarte polo. Op andere stills van die situatie is te zien dat de polo een wit logo op de borst heeft en een witte streep op de kraag. Op screenshot 1 draagt de persoon in ieder geval een jas, die op screenshot 2 niet te zien is. Deze persoon richt zijn hoofd naar beneden en hij draagt een capuchon, waardoor het gezicht niet volledig goed te zien is. Dat maakt een vergelijking moeilijk. Daarnaast is niet navolgbaar dat de verbalisant verdachte op deze foto mede herkent aan de getatoeëerde armen. De armen zijn door de jas namelijk niet te zien. Gelet op het voorgaande komt aan de relevante herkenning van verdachte op screenshot 1 slechts zeer beperkte bewijswaarde toe.
Tot slot bevat het dossier een uitgebreid proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] . Het proces-verbaal lijkt voort te borduren op een eerdere herkenning, maar sluit af met een alinea waarin wordt gerelateerd dat de verbalisant verdachte herkent op alle beelden die in de compilatiefilm zitten én op alle foto’s die zich in het zaaksdossier van verdachte bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze herkenning niet bruikbaar, omdat onduidelijk is welke foto’s of beelden door de verbalisant bij zijn herkenning zijn gebruikt. Het uitgangspunt is onduidelijk: heeft de verbalisant de verdachte op het politiebureau gezien en dat beeld vergeleken met de foto’s en video’s, is een foto van het RDW gebruikt of is op een andere manier tot een vergelijking gekomen? Daarnaast heeft deze verbalisant al veel voorinformatie gehad, wat de herkenning ook minder betrouwbaar maakt.
Op zitting zijn beelden getoond waarop volgens de politie en het Openbaar Ministerie verdachte (rood omcirkeld) is te zien terwijl hij geweldshandelingen pleegt, zijnde een persoon in een lange zwarte jas met grote capuchon. Daarbij is door de officier van justitie aangegeven dat de processen-verbaal redengevend zijn voor het bewijs, de filmpjes dienen slechts ter illustratie.
Desalniettemin heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of zij op basis van die beelden tot een herkenning kan komen, nu de rechtbank verdachte ter zitting heeft gezien en ook aan de hand van foto’s in het dossier mogelijk tot een herkenning kan komen. Hoewel zeker gelijkenissen zijn waar te nemen tussen de foto’s van verdachte en de afbeeldingen van de persoon met de jas met grote capuchon, is de rechtbank van oordeel dat het niet buiten redelijke twijfel telkens om verdachte gaat. De gezichten van beide personen lijken op elkaar en de schoenen tonen grote gelijkenissen. Daar staat tegenover dat het om veel voorkomende schoenen gaat en dat de polo met wit logo en witte streep op de kraag niet te zien is bij de persoon die een jas draag. Dit logo en de streep is ook niet op de foto’s te zien, terwijl dat wel te verwachten valt omdat de jas is open geritst. De rechtbank komt daarom niet tot een eigen herkenning van verdachte op de beelden.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte de persoon is die de geweldshandelingen heeft gepleegd die in het dossier aan hem worden toegeschreven. De herkenningen zijn in dit verband onvoldoende overtuigend. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
5BENADEELDE PARTIJEN
Deze strafzaak is één van de 28 strafzaken binnen onderzoek 03Waard24, waarin op 4, 6 en 13 december 2024 de inhoudelijke behandeling gepland stond. 23 agenten hebben zich in alle strafzaken als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. In deze vorderingen zijn geen persoonsgegevens van de agenten opgegeven, maar enkel een zogenoemd T-nummer. Verschillende advocaten van verdachten hebben aangevoerd dat het niet mogelijk is om onder dit T-nummer een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Op de eerste zittingsdag heeft de rechtbank bepaald dat zij eerst op dit formele punt zal besluiten, voordat die vorderingen benadeelde partij eventueel inhoudelijk worden besproken.
Op 19 december 2024 heeft de rechtbank in een tussenbeslissing geoordeeld dat het voor de ontvankelijkheid van een benadeelde partij vereist is dat die zijn naam en geboortedatum kenbaar maakt. Voor de volledige motivering wordt verwezen naar de tussenbeslissing die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht. De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing geconcludeerd dat een benadeelde partij die zonder opgave van naam en geboortedatum - maar enkel door opgave van een T-nummer - een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, om die reden (kennelijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beoordeling
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde, worden alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Zij zullen in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen hun vorderingen. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Benadeelde partij [benadeelde 1]
verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 1] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 2] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 3]
verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 3] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 10]
verklaart [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 10] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 4]
verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 4] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 6]
verklaart [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 6] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 7]
verklaart [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 7] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 8]
verklaart [benadeelde 8] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 8] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 9]
verklaart [benadeelde 9] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 9] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 11]
verklaart [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 11] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 13]
verklaart [benadeelde 13] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 13] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 5]
verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 5] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 12]
verklaart [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 12] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 14]
verklaart [benadeelde 14] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 14] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Politie Midden-Nederland
verklaart Politie Midden-Nederland niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Politie Midden-Nederland in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Q-park Operations Netherlands B.V.
verklaart Q-park Operations Netherlands B.V. niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Q-park Operations Netherlands B.V. in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Stadion Galgenwaard Development B.V.
verklaart Stadion Galgenwaard Development B.V. niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Stadion Galgenwaard Development B.V. in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 15]
verklaart [benadeelde 15] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 15] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 16]
verklaart [benadeelde 16] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 16] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 17]
verklaart [benadeelde 17] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 17] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 18]
verklaart [benadeelde 18] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 18] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 19]
verklaart [benadeelde 19] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 19] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 20]
verklaart [benadeelde 20] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 20] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 21]
verklaart [benadeelde 21] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 21] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 22]
verklaart [benadeelde 22] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 22] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 23]
verklaart [benadeelde 23] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 23] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2025.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/221518-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [1995] in [geboorteplaats] ,
wonende [adres] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 december 2024, 19 december 2024, 14 januari 2025 en 17 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.H. Hoogendam en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.E. Toet, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat mr. E.P. Ceulen en mr. T. Rezaie en de gemachtigden, mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de benadeelde partijen die zij bijstaan, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard in Utrecht (Herculesplein, Israëlslaan en Tamboersdijk) zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4VRIJSPRAAK
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
4.3
Beoordeling
Algemene vrijspraakoverwegingen
De rechtbank heeft binnen onderzoek 03Waard24 strafzaken behandeld tegen 28 verdachten. In zeven zaken, waaronder deze, komt de rechtbank tot een integrale vrijspraak. In algemene zin overweegt de rechtbank daarover als volgt.
In deze zaken is door de verdachte geen (deels) bekennende verklaring afgelegd. Het bewijs moet dan volgen uit de processen-verbaal die de politie over de camerabeelden en van de herkenningen heeft opgemaakt. Door het Openbaar Ministerie is meermaals benadrukt dat die processen-verbaal dragend zijn voor het bewijs en dat de aan het dossier gevoegde camerabeelden slechts ter illustratie dienen.
De dossiers tegen de verdachten zijn grotendeels hetzelfde opgebouwd. Het dossier bevat telkens één of meer processen-verbaal van herkenning van de verdachte op basis van camerabeelden en een proces-verbaal met daarin een beschrijving van de (gewelds)handelingen die de verdachte zou hebben verricht, zoals op de beelden is te zien.
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dat geldt te meer, indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kunnen aantonen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een ambtshalve herkenning aan de hand van afbeeldingen/beelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen/beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Verder is van belang of de herkenning onafhankelijk tot stand is gekomen en of er sprake is van voorkennis.
In een aantal van de zeven zaken waar de rechtbank tot vrijspraak komt, zijn naar het oordeel van de rechtbank zowel de processen-verbaal van herkenning als de beschrijving van de camerabeelden onvoldoende controleerbaar en overtuigend om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de indruk heeft dat de beschikbare beelden op zich voldoende zijn om tot betrouwbare en overtuigende herkenningen te kunnen komen en te omschrijven welke geweldshandelingen een verdachte heeft verricht, maar dat de politie hierbij onzorgvuldig te werk is gegaan.
In veel dossiers zitten processen-verbaal van herkenning van dezelfde verbalisant of verbalisanten. Meestal gaat het daarbij om ambtshalve herkenningen. De verbalisanten lijken daarbij gebruik te hebben gemaakt van een standaard format voor het proces-verbaal. De rechtbank ziet in veel zaken namelijk dezelfde tekortkomingen terugkomen: de processen-verbaal zijn tegenstrijdig over de vraag of is herkend aan de hand van bewegende beelden of aan de hand van foto’s/stills en er wordt niet duidelijk omschreven op welke bewegende beelden of foto’s de verdachte is herkend. Daarbij is er telkens voor gekozen (kennelijk omwille van de anonimiteit van de verbalisanten) om bij de ambtshalve herkenning niet nader te omschrijven hoe (goed) de verbalisant de desbetreffende verdachte kent. Deze combinatie van factoren maakt het de rechtbank niet (goed) mogelijk de betrouwbaarheid van deze ambtshalve herkenningen te beoordelen.
Verder is van belang dat de herkenningen vaak (lijken te) zijn gedaan aan de hand van beelden waarop een verdachte geen geweldshandelingen pleegt. Meestal lijkt het daarbij te gaan om beelden van momenten (ruim) voorafgaand aan de rellen. Het moet dan navolgbaar zijn hoe geconcludeerd wordt dat diezelfde herkende verdachte later, tijdens de rellen, geweld heeft gepleegd. Deze uitleg ontbreekt in de zaken. In de processen-verbaal waarin de handelingen van een verdachte worden beschreven, wordt er telkens van uitgegaan dat op de verschillende camerabeelden dezelfde verdachte is te zien. Voor de rechtbank is vaak niet navolgbaar waarom het telkens om dezelfde verdachte zou moeten gaan. Het zou kunnen dat de verbalisant de desbetreffende verdachte op verschillende camerabeelden, gemaakt door verschillende camera’s op meerdere locaties, telkens heeft kunnen volgen en daarom heeft vastgesteld dat het steeds dezelfde persoon is. In dat geval is het voldoende wanneer die verdachte op één van deze camerabeelden is herkend. Echter, de verbalisanten beschrijven niet dat de verschillende camerabeelden op deze manier op elkaar passen. Dat betekent dat, om te kunnen concluderen dat het op de verschillende beelden telkens om dezelfde verdachte gaat, telkens een nieuwe herkenning nodig is aan de hand van uiterlijk, kledingsignalement, postuur en/of andere onderscheidende kenmerken. Maar ook die herkenningen komen in de processen-verbaal niet terug, terwijl in veel gevallen een deel van de beelden ook niet van voldoende kwaliteit lijkt te zijn om een afzonderlijke herkenning op basis daarvan mogelijk te maken. Gelet hierop kan de rechtbank niet zonder meer de aanname volgen dat het in deze processen-verbaal telkens om dezelfde verdachte gaat.
Eventuele aanhouding
De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de zaken moet worden aangehouden voor nader onderzoek. Een deel van de geconstateerde onzorgvuldigheden, lijkt immers vatbaar voor herstel. Het gaat daarnaast om een ernstige verdenking met grote gevolgen voor slachtoffers en de maatschappij, zodat niet te snel tot vrijspraak moet worden overgegaan wanneer nader onderzoek voor de hand ligt. Daar staat tegenover dat door de verdediging van meerdere verdachten is gewezen op de onzorgvuldige processen-verbaal. Dat heeft het Openbaar Ministerie er niet toe gebracht (subsidiair en of in voorwaardelijke zin) te vragen om aanhouding om het dossier op die punten aan te vullen of te verbeteren. Daarnaast lenen de processen-verbaal van herkenning zich naar het oordeel van de rechtbank niet direct voor verbetering of aanvulling. Met een aanvulling, op verzoek of instructie van de rechtbank, kan dan niet meer gesproken worden van een onafhankelijk tot stand gekomen herkenning, die is gedaan zonder voorinformatie. Bij die stand van zaken heeft de rechtbank besloten af te zien van aanhouding voor het laten opmaken van aanvullende processen-verbaal.
Overwegingen
Drie verbalisanten hebben verdachte herkend als […] . Verdachte herkent zichzelf wel op een beeld waarbij hij een polo draagt (foto 2 op pagina 7 van het dossier), maar niet op andere foto’s en beelden waarop een persoon is te zien met een lange zwarte jas en grote capuchon. De foto waarop verdachte zichzelf herkend is van een moment voordat de rellen waren begonnen.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte ambtshalve herkend. In zijn proces-verbaal wordt enerzijds geverbaliseerd dat hij een aantal van de beelden heeft bekeken. Anderzijds is in het proces-verbaal opgenomen dat verbalisant verdachte onmiddellijk herkende toen hij ‘de foto zag’. Als de verbalisant verdachte heeft herkend op een foto, is voor de rechtbank onduidelijk welke foto dat is geweest. De foto’s die in het proces-verbaal zijn opgenomen, zijn van matige kwaliteit. Daarnaast is op één foto het gezicht van de persoon niet te zien en op een andere foto slechts ten dele. De foto’s geven naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende duidelijk beeld van de gezichtskenmerken om een herkenning op te kunnen baseren. Als de herkenning toch aan de hand van bewegende beelden is gedaan, is voor de rechtbank onduidelijk op basis van welke beelden dat is gebeurd, omdat het proces-verbaal slechts in algemene zin verwijst naar beelden van de voetbalrellen van 26 mei 2024. Daarmee kan de rechtbank niet beoordelen of de beelden die zijn gebruikt voor de herkenning van voldoende kwaliteit zijn. Tot slot wordt in het proces-verbaal niet nader uitgelegd waaruit het ‘ambtshalve kennen’ bestaat. Niet is geverbaliseerd hoe vaak en hoe recent de verbalisant contact heeft gehad met verdachte en op welke manier. Gelet op het voorgaande kan de betrouwbaarheid van de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] niet worden beoordeeld.
De herkenning door verbalisant [verbalisant 2] betreft een vergelijking. Aan dergelijke herkenningen komt in de regel minder bewijswaarde toe dan aan ambtshalve herkenningen, omdat het in feite gaat om de vaststelling dat er (grote) overeenkomsten zijn tussen de verdachte en de persoon op beeld. Het ‘herinneringsbeeld’ dat een verbalisant bij een ambtshalve herkenning van een verdachte heeft, en dat een herkenning juist betrouwbaar kan maken, speelt bij deze soort herkenning geen rol. Daarom is bij dit soort herkenningen de kwaliteit van de beelden en de manier waarop de persoon in kwestie daarop is te zien zeer belangrijk. In het proces-verbaal van [verbalisant 2] , één van de verbalisanten die verdachte heeft verhoord, lijkt hij in eerste instantie te verbaliseren dat hij verdachte op bewegende beelden, zoals getoond bij het verhoor, heeft herkend. Daarna wordt echter expliciet geverbaliseerd dat hij verdachte, zoals die voor hem zat, heeft vergeleken én herkend met/op screenshot 1 en 2 die ook als bijlage bij het proces-verbaal van het verhoor zitten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de herkenning zich tot deze twee stills beperkt, wat ook navolgbaar is omdat het gezicht van de persoon op deze stills relatief goed zichtbaar is, in tegenstelling tot de beelden van de persoon die geweldshandelingen verricht. Op screenshot 2 heeft verdachte zichzelf ook herkend. Verdachte draagt daar een zwarte polo. Op andere stills van die situatie is te zien dat de polo een wit logo op de borst heeft en een witte streep op de kraag. Op screenshot 1 draagt de persoon in ieder geval een jas, die op screenshot 2 niet te zien is. Deze persoon richt zijn hoofd naar beneden en hij draagt een capuchon, waardoor het gezicht niet volledig goed te zien is. Dat maakt een vergelijking moeilijk. Daarnaast is niet navolgbaar dat de verbalisant verdachte op deze foto mede herkent aan de getatoeëerde armen. De armen zijn door de jas namelijk niet te zien. Gelet op het voorgaande komt aan de relevante herkenning van verdachte op screenshot 1 slechts zeer beperkte bewijswaarde toe.
Tot slot bevat het dossier een uitgebreid proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] . Het proces-verbaal lijkt voort te borduren op een eerdere herkenning, maar sluit af met een alinea waarin wordt gerelateerd dat de verbalisant verdachte herkent op alle beelden die in de compilatiefilm zitten én op alle foto’s die zich in het zaaksdossier van verdachte bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze herkenning niet bruikbaar, omdat onduidelijk is welke foto’s of beelden door de verbalisant bij zijn herkenning zijn gebruikt. Het uitgangspunt is onduidelijk: heeft de verbalisant de verdachte op het politiebureau gezien en dat beeld vergeleken met de foto’s en video’s, is een foto van het RDW gebruikt of is op een andere manier tot een vergelijking gekomen? Daarnaast heeft deze verbalisant al veel voorinformatie gehad, wat de herkenning ook minder betrouwbaar maakt.
Op zitting zijn beelden getoond waarop volgens de politie en het Openbaar Ministerie verdachte (rood omcirkeld) is te zien terwijl hij geweldshandelingen pleegt, zijnde een persoon in een lange zwarte jas met grote capuchon. Daarbij is door de officier van justitie aangegeven dat de processen-verbaal redengevend zijn voor het bewijs, de filmpjes dienen slechts ter illustratie.
Desalniettemin heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of zij op basis van die beelden tot een herkenning kan komen, nu de rechtbank verdachte ter zitting heeft gezien en ook aan de hand van foto’s in het dossier mogelijk tot een herkenning kan komen. Hoewel zeker gelijkenissen zijn waar te nemen tussen de foto’s van verdachte en de afbeeldingen van de persoon met de jas met grote capuchon, is de rechtbank van oordeel dat het niet buiten redelijke twijfel telkens om verdachte gaat. De gezichten van beide personen lijken op elkaar en de schoenen tonen grote gelijkenissen. Daar staat tegenover dat het om veel voorkomende schoenen gaat en dat de polo met wit logo en witte streep op de kraag niet te zien is bij de persoon die een jas draag. Dit logo en de streep is ook niet op de foto’s te zien, terwijl dat wel te verwachten valt omdat de jas is open geritst. De rechtbank komt daarom niet tot een eigen herkenning van verdachte op de beelden.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte de persoon is die de geweldshandelingen heeft gepleegd die in het dossier aan hem worden toegeschreven. De herkenningen zijn in dit verband onvoldoende overtuigend. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
5BENADEELDE PARTIJEN
Deze strafzaak is één van de 28 strafzaken binnen onderzoek 03Waard24, waarin op 4, 6 en 13 december 2024 de inhoudelijke behandeling gepland stond. 23 agenten hebben zich in alle strafzaken als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. In deze vorderingen zijn geen persoonsgegevens van de agenten opgegeven, maar enkel een zogenoemd T-nummer. Verschillende advocaten van verdachten hebben aangevoerd dat het niet mogelijk is om onder dit T-nummer een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Op de eerste zittingsdag heeft de rechtbank bepaald dat zij eerst op dit formele punt zal besluiten, voordat die vorderingen benadeelde partij eventueel inhoudelijk worden besproken.
Op 19 december 2024 heeft de rechtbank in een tussenbeslissing geoordeeld dat het voor de ontvankelijkheid van een benadeelde partij vereist is dat die zijn naam en geboortedatum kenbaar maakt. Voor de volledige motivering wordt verwezen naar de tussenbeslissing die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht. De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing geconcludeerd dat een benadeelde partij die zonder opgave van naam en geboortedatum - maar enkel door opgave van een T-nummer - een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, om die reden (kennelijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beoordeling
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde, worden alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Zij zullen in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen hun vorderingen. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Benadeelde partij [benadeelde 1]
verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 1] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 2] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 3]
verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 3] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 10]
verklaart [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 10] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 4]
verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 4] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 6]
verklaart [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 6] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 7]
verklaart [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 7] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 8]
verklaart [benadeelde 8] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 8] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 9]
verklaart [benadeelde 9] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 9] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 11]
verklaart [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 11] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 13]
verklaart [benadeelde 13] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 13] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 5]
verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 5] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 12]
verklaart [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 12] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 14]
verklaart [benadeelde 14] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 14] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Politie Midden-Nederland
verklaart Politie Midden-Nederland niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Politie Midden-Nederland in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Q-park Operations Netherlands B.V.
verklaart Q-park Operations Netherlands B.V. niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Q-park Operations Netherlands B.V. in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij Stadion Galgenwaard Development B.V.
verklaart Stadion Galgenwaard Development B.V. niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt Stadion Galgenwaard Development B.V. in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 15]
verklaart [benadeelde 15] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 15] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 16]
verklaart [benadeelde 16] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 16] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 17]
verklaart [benadeelde 17] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 17] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 18]
verklaart [benadeelde 18] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 18] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 19]
verklaart [benadeelde 19] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 19] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 20]
verklaart [benadeelde 20] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 20] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 21]
verklaart [benadeelde 21] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 21] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 22]
verklaart [benadeelde 22] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 22] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij onder nummer [benadeelde 23]
verklaart [benadeelde 23] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt [benadeelde 23] in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2025.