Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-07-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:4667
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3223 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en de burgemeester van de gemeente Zeist, de burgemeester (gemachtigden: mr. K.V. van de Brug-van Ewijk en mr. B.M. de Boer). Procesverloop 1. In deze procedure beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van de aan hem verleende exploitatie- en Alcoholwetvergunning. 1.1. Bij besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de exploitatie- en Alcoholwetvergunning ingetrokken met ingang van twee weken na de datum van verzending van dit besluit. 1.2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De burgemeester is bereid om de gevolgen van het primaire besluit op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 juni 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en M. Bosma, beleidsadviseur bij de gemeente Zeist. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat ging aan deze zaak vooraf? 2. Bij besluit van 6 oktober 2022 is aan verzoeker een exploitatie- en Alcoholwetvergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf [horecagelegenheid] aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is bestuurder van [bedrijf] BV, die enig aandeelhouder is van het horecabedrijf [horecagelegenheid] B.V. 3. Op 23 april 2025 heeft de burgemeester verzoeker geïnformeerd over het voornemen tot het intrekken van de exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft dit voornemen vanwege het vermoeden dat verzoeker van slecht levensgedrag is. Dat vermoeden is gebaseerd op een strafbeschikking en een FIOD-onderzoek. 4. Verzoeker heeft op 2 mei 2025 per e-mail zijn zienswijze op het voornemen naar voren gebracht. Dat heeft niet geleid tot een wijziging van het voornemen tot het intrekken van de exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft dan ook met het besluit van 22 mei 2025 de exploitatie- en Alcoholwetvergunning van verzoeker ingetrokken. 5. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Hij wil dat het primaire besluit wordt geschorst totdat er een beslissing is genomen op zijn bezwaar. Ook verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de burgemeester te verbieden de intrekking openbaar te maken of aan derden te communiceren, vanwege het risico op onherstelbare reputatieschade. Beoordeling door de voorzieningenrechter 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Allereerst ligt dus de vraag voor of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij schorsing van het primaire besluit. Concreet betekent dit dat van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de beslissing op zijn bezwaar afwacht. Daarvan kan sprake zijn als er door de werking van het besluit een feitelijke of juridische situatie zou ontstaan die onomkeerbare gevolgen zou hebben. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een financieel belang op zich geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoe Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de inrichting kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. 16. Intrekking van de vergunningen is een voor verzoeker belastend besluit, waarbij op de burgemeester een zware bewijslast rust. De burgemeester mag voor zijn besluit in beginsel afgaan op de juistheid van de feiten en de bevindingen in de op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage van de politie. Rechtmatigheidsoordeel 17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat verzoeker van slecht levensgedrag is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in de huidige stand van zaken de intrekking van de vergunningen gerechtvaardigd. De combinatie van de strafbeschikking vanwege valsheid in geschrifte en het onjuist doen van aangifte en het feit dat er een onderzoek loopt naar verschillende transacties van verzoeker in het kader van mogelijke witwaspraktijken is daarvoor voldoende. 18. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verzoeker driemaal veroordeeld is, onder andere op 14 november 2022 wegens valsheid in geschrifte. 19. Zo blijkt uit de bevindingen in de bestuurlijke rapportage van 14 februari 2024 onder meer dat er meerder FIU-meldingen zijn gedaan door instanties over transacties waarbij zij aanleiding zien om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of het financieren van terrorisme. Uit het onderzoek is gebleken dat de gelden en het doel van de transacties onvoldoende plausibel kan worden beoordeeld. Verzoeker heeft (geen) enkele verklaringen gegeven op de vragen omtrent deze transacties. 20. Uit de aangevraagde screening door de burgemeester van de horeca aanvraag van 3 december 2024 bij de politie blijkt dat verzoeker twee antecedenten op zijn naam heeft staan. Het gaat om eenvoudige mishandeling die is geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs en een poging zware mishandeling en eenvoudige mishandeling waarvoor hij beide is vrijgesproken. Verder volgt hieruit dat verzoeker op 27 november 2023 is aangehouden door de FIOD, omdat er sprake was van verdenking van valsheid in geschrifte. 21. Verzoeker heeft op de zitting aangegeven dat hij voor alle transacties een verklaring heeft en stukken kan overleggen waaruit blijkt dat geen sprake is van witwassen. Dat doet niet af aan de beoordeling door de voorzieningenrechter. Verzoeker heeft vanaf 18 juli 2024 tot nu toe de mogelijkheid gehad om een verklaring te geven aan zijn bank en de FIOD. Dat heeft verzoeker niet gedaan, terwijl dat wel de juiste route zou zijn geweest. Het is niet aan de burgemeester om nu feitelijk het onderzoek van de FIOD over te doen. In het geval dat verzoeker in zijn beroep tegen de strafbeschikking gelijk krijgt en de FIOD ervan weet te overtuigen dat er geen sprake is van witwassen kan verzoeker opnieuw een aanvraag doen voor het krijgen van een exploitatie- en Alcoholwetvergunning. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het onderzoek door de FIOD en de aan verzoeker opgelegde strafbeschikking, geen aanleiding om het standpunt van de burgemeester voor onjuist te houden. Belangenafweging 22. Verzoeker voert aan dat de intrekking van de vergunningen in zijn geval onevenredig is. 23. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat bij het nemen van het besluit een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen het individuele belang van verzoeker en het algemeen belang dat is gemoeid met de naleving van de regels uit de Alcoholwet en de APV en het waarborgen van de openbare orde en veiligheid. Daarbij vindt de burgemeester van belang dat verzoeker heeft laten zien dat hij dit niet (altijd) doet en het daarbij niet om geringe feiten gaat. Ook vindt de burgemeester dat verzoeker kon weten dat de vergunningen zouden worden ingetrokken als verzoeker niet aan de eisen over het levensgedrag zou voldoen. De genoemde publieke belangen w