Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:4582
Civiel recht
Proces-verbaal
4,176 tokens
Inleiding
proces-verbaal
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 593297 HA RK 25-90
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken op 22 mei 2025
inzake het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
gemachtigde [A] .
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 13 mei 2025 mr. M.A.A.T. Engbers gewraakt. Mr. Engbers (hierna: de rechter) behandelt in de zaak met zaaknummer C/16/590285 / JE RK 25-412 het door Samen Veilig Midden Nederland ingediende verzoek om de schriftelijke aanwijzing die op 6 maart 2025 is gegeven en inhoudt - kort gezegd - dat verzoeker geen contact mag hebben met zijn minderjarige dochter, te bekrachtigen en daar een dwangsom aan te verbinden.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 22 mei 2025 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling waren verzoeker en zijn gemachtigde [A] aanwezig. De gemachtigde heeft pleitnotities overgelegd en het wrakingsverzoek aan de hand daarvan op de zitting toegelicht. De rechter is met bericht niet verschenen. Van de rechter is voor de zitting een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer met toepassing van artikel 29a Rv op de zitting mondeling een beslissing op het wrakingsverzoek gegeven.
Dictum
De wrakingskamer:
2.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
2.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
2.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/590285 / JE RK
25-412 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Motivering
3.1.
De wrakinsgkamer geeft hiervoor de volgende motivering.
Het verzoek van verzoeker en de reactie van de rechter
3.2.
De gronden die verzoeker aan de wraking ten grondslag heeft gelegd zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 13 mei 2025. Daaruit volgt dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft gedaan om de volgende redenen. Ten eerste heeft de rechter het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden zodat verzoeker zich deugdelijk op zijn verweer zou kunnen voorbereiden, afgewezen. Ten tweede heeft de rechter het verzoek om de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden aan te merken zonder onderbouwing afgewezen. Ten derde heeft de rechter het verzoek om de minderjarige dochter van verzoeker als procesbekwaam aan te merken afgewezen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker daaraan toegevoegd dat de rechter de schriftelijke aanwijzing en de inhoud daarvan richting verzoeker heeft gebagatelliseerd en de rechter daardoor een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven. Het handelen en nalaten van de rechter afzonderlijk en bezien in onderlinge samenhang, hebben bij verzoeker de objectieve vrees doen ontstaan dat de rechter jegens hem vooringenomen en partijdig is.
3.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat een rechtsgrond voor het erkennen van de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden en het aanmerken van de dochter van verzoeker als procesbekwaam ontbreekt. Haar beslissing om hen niet als belanghebbenden respectievelijk procesbekwaam aan te merken, kan daarom geen grond voor wraking opleveren. Volgens de rechter is de beslissing om de zaak niet aan te houden een procesbeslissing. Zo’n beslissing kan in beginsel geen reden voor wraking zijn, tenzij de motivering zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter vooringenomen is, althans de bestaande vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Daarvan is volgens de rechter geen sprake.
3.4.
De rechter heeft niet kunnen reageren op de stelling van verzoeker dat zij een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven door de schriftelijke aanwijzing te bagatelliseren, omdat verzoeker dit pas op de zitting van de wrakingskamer heeft aangevoerd en de rechter niet op de zitting aanwezig was.
Het toetsingskader
3.5.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.6.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke partijdigheid schade.
Bagatelliseren van de schriftelijke aanwijzing buiten beschouwing
3.7.
Op grond van artikel 37 lid 3 Rv moeten alle feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag worden gelegd, tegelijk worden voorgedragen. Verzoeker heeft eerst op de zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht dat de rechter tijdens de zitting op
13 mei 2025 de schriftelijke aanwijzing richting verzoeker heeft gebagatelliseerd. Verzoeker heeft dit niet eerder als grond voor de wraking aangevoerd. De wrakingskamer laat dit deel van het wrakingsverzoek daarom verder buiten beschouwing.
Aangehaalde beslissingen zijn procesbeslissingen
3.8.
De afwijzing van de verzoeken om aanhouding van de zaak en het aanmerken van de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden en de dochter van verzoeker als procesbekwaam, vormen geen reden voor wraking, omdat deze beslissingen moeten worden aangemerkt als procesbeslissingen. De wrakingskamer mag geen oordeel geven over de juistheid van deze beslissingen. Alleen de rechter in hoger beroep kan een oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van een rechter. Een procesbeslissing kan als zodanig dan ook geen grond opleveren voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering voor die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. De wrakingskamer ziet daar in dat wat verzoeker heeft aangevoerd en gelet op de reactie van de rechter geen aanleiding voor. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. C.P. Lunter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 2 juni 2025.
de griffier de voorzitter
de griffier is buiten staat dit proces-verbaal
te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Inleiding
proces-verbaal
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 593297 HA RK 25-90
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken op 22 mei 2025
inzake het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
gemachtigde [A] .
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 13 mei 2025 mr. M.A.A.T. Engbers gewraakt. Mr. Engbers (hierna: de rechter) behandelt in de zaak met zaaknummer C/16/590285 / JE RK 25-412 het door Samen Veilig Midden Nederland ingediende verzoek om de schriftelijke aanwijzing die op 6 maart 2025 is gegeven en inhoudt - kort gezegd - dat verzoeker geen contact mag hebben met zijn minderjarige dochter, te bekrachtigen en daar een dwangsom aan te verbinden.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 22 mei 2025 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling waren verzoeker en zijn gemachtigde [A] aanwezig. De gemachtigde heeft pleitnotities overgelegd en het wrakingsverzoek aan de hand daarvan op de zitting toegelicht. De rechter is met bericht niet verschenen. Van de rechter is voor de zitting een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer met toepassing van artikel 29a Rv op de zitting mondeling een beslissing op het wrakingsverzoek gegeven.
Dictum
De wrakingskamer:
2.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
2.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
2.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/590285 / JE RK
25-412 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Motivering
3.1.
De wrakinsgkamer geeft hiervoor de volgende motivering.
Het verzoek van verzoeker en de reactie van de rechter
3.2.
De gronden die verzoeker aan de wraking ten grondslag heeft gelegd zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 13 mei 2025. Daaruit volgt dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft gedaan om de volgende redenen. Ten eerste heeft de rechter het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden zodat verzoeker zich deugdelijk op zijn verweer zou kunnen voorbereiden, afgewezen. Ten tweede heeft de rechter het verzoek om de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden aan te merken zonder onderbouwing afgewezen. Ten derde heeft de rechter het verzoek om de minderjarige dochter van verzoeker als procesbekwaam aan te merken afgewezen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker daaraan toegevoegd dat de rechter de schriftelijke aanwijzing en de inhoud daarvan richting verzoeker heeft gebagatelliseerd en de rechter daardoor een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven. Het handelen en nalaten van de rechter afzonderlijk en bezien in onderlinge samenhang, hebben bij verzoeker de objectieve vrees doen ontstaan dat de rechter jegens hem vooringenomen en partijdig is.
3.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat een rechtsgrond voor het erkennen van de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden en het aanmerken van de dochter van verzoeker als procesbekwaam ontbreekt. Haar beslissing om hen niet als belanghebbenden respectievelijk procesbekwaam aan te merken, kan daarom geen grond voor wraking opleveren. Volgens de rechter is de beslissing om de zaak niet aan te houden een procesbeslissing. Zo’n beslissing kan in beginsel geen reden voor wraking zijn, tenzij de motivering zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter vooringenomen is, althans de bestaande vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Daarvan is volgens de rechter geen sprake.
3.4.
De rechter heeft niet kunnen reageren op de stelling van verzoeker dat zij een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven door de schriftelijke aanwijzing te bagatelliseren, omdat verzoeker dit pas op de zitting van de wrakingskamer heeft aangevoerd en de rechter niet op de zitting aanwezig was.
Het toetsingskader
3.5.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.6.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke partijdigheid schade.
Bagatelliseren van de schriftelijke aanwijzing buiten beschouwing
3.7.
Op grond van artikel 37 lid 3 Rv moeten alle feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag worden gelegd, tegelijk worden voorgedragen. Verzoeker heeft eerst op de zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht dat de rechter tijdens de zitting op
13 mei 2025 de schriftelijke aanwijzing richting verzoeker heeft gebagatelliseerd. Verzoeker heeft dit niet eerder als grond voor de wraking aangevoerd. De wrakingskamer laat dit deel van het wrakingsverzoek daarom verder buiten beschouwing.
Aangehaalde beslissingen zijn procesbeslissingen
3.8.
De afwijzing van de verzoeken om aanhouding van de zaak en het aanmerken van de heer [A] en de heer [B] als belanghebbenden en de dochter van verzoeker als procesbekwaam, vormen geen reden voor wraking, omdat deze beslissingen moeten worden aangemerkt als procesbeslissingen. De wrakingskamer mag geen oordeel geven over de juistheid van deze beslissingen. Alleen de rechter in hoger beroep kan een oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van een rechter. Een procesbeslissing kan als zodanig dan ook geen grond opleveren voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering voor die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. De wrakingskamer ziet daar in dat wat verzoeker heeft aangevoerd en gelet op de reactie van de rechter geen aanleiding voor. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. C.P. Lunter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 2 juni 2025.
de griffier de voorzitter
de griffier is buiten staat dit proces-verbaal
te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.