Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-08-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:4503
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,192 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4513
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,
het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bij het college bezwaar gemaakt. Zij heeft ook om een voorlopige voorziening verzocht.
1.1.
Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van verzoekster van 14 mei 2025 om een uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële of medische nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Bij brief van 4 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht om het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Verzoekster heeft hierop gereageerd bij mailbericht van 7 augustus 2025. Hierbij zijn bankafschriften overgelegd en verzoekster wijst er nog op dat er schulden zijn, dat zij zonder inkomen zit en dat zij afhankelijk is en blijft van hulp van derden.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster in haar reactie niet is ingegaan op alle in de brief van 4 augustus 2025 gestelde vragen. Verzoekster heeft haar stelling over bestaande schulden en huurachterstanden niet onderbouwd en gesteld noch gebleken is dat sprake is van een dreigende uithuiszetting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom niet aangetoond dat op dit moment sprake is van dreiging van een acute noodsituatie of van een onomkeerbare situatie. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.