Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-26
ECLI:NL:RBMNE:2025:4426
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/526
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: M. Zuidersma).
Procesverloop
1. De SVB heeft op 21 januari 2018 een melding vanuit de Basisregistratie Personen ontvangen dat eiseres is verhuisd. Daaruit heeft de SVB geconcludeerd dat eiseres’ leefsituatie is gewijzigd en dat zij niet langer samenwoont met haar partner [partner] (hierna: partner). Om die reden heeft de SVB het pensioen van eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bij besluit van 16 februari 2018 per 10 januari 2018 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande.
2. De SVB heeft op 3 augustus 2023 in een interne notitie geconstateerd dat eiseres vanaf 10 januari 2018 ongewijzigd een gezamenlijke huishouding heeft gehad met haar partner. Zowel eiseres als haar partner zijn in januari 2018 namelijk naar hetzelfde adres verhuisd. Om die reden heeft de SVB het AOW-pensioen van eiseres in het besluit van 8 augustus 2023 (het primaire besluit) vanaf januari 2018 herzien naar de norm voor gehuwden. Het AOW-pensioen van € 28.210,73 dat eiseres over de periode vanaf januari 2018 tot en met juli 2023 te veel heeft ontvangen heeft de SVB van eiseres teruggevorderd.
3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 12 december 2023 op het bezwaar van eiseres heeft de SVB het primaire besluit herroepen en de herziening beperkt tot de periode van december 2019 tot en met juli 2023. Volgens de SVB heeft eiseres in die periode € 19.144,28 te veel AOW-pensioen ontvangen en moet zij dit bedrag terugbetalen.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB.
6. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Vervolgens heeft de rechtbank partijen bericht uiterlijk op 30 mei 2025 uitspraak te doen.
Beoordeling
7. Aan de herziening en terugvordering heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiseres per januari 2018 recht heeft gehad op een lager AOW-pensioen, omdat zij samenwoonde met haar partner. De SVB is gehouden tot herziening en terugvordering over te gaan, ongeacht of eiseres aan haar verplichtingen heeft voldaan. De SVB ziet wel aanleiding om de terugwerkende kracht van de herziening te matigen. Enerzijds had het eiseres redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de hoogte van haar AOW-pensioen per januari 2018 op onjuiste gegevens is gebaseerd. Anderzijds erkent de SVB ook zelf een fout te hebben gemaakt, door de melding van de verhuizing niet goed te hebben opgepakt. Op de zitting heeft de SVB zich op het standpunt gesteld dat conform beleidsregel SB1407 de terugwerkende kracht van de herziening verder dient te worden gematigd dan bij het bestreden besluit is bepaald. De SVB stelt een herziening met terugwerkende kracht van 50% voor, te weten de meest recente 33 maanden.
Mag de SVB het AOW-pensioen herzien en terugvorderen?
8. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de SVB het bestreden besluit ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens eiseres is zij haar verplichtingen nagekomen en bestaat er dan geen wettelijke grondslag voor herziening en terugvordering. Voor zover de SVB in het verweerschrift stelt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, is dit te laat en onjuist.
9. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij per januari 2018 een gezamenlijke huishouding heeft gehad met haar partner en dat zij om die reden per januari 2018 recht heeft gehad op een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden in plaats van een alleenstaande. De SVB is in die situatie op basis van de wettelijke bepalingen gehouden om het AOW-pensioen van eiseres te herzien naar de norm voor gehuwden en het onverschuldigd betaalde pensioen terug te vorderen. De rechtbank stelt op basis van het bestreden besluit, het verweerschrift en de toelichting ter zitting vast dat de SVB eiseres daarbij niet verwijt dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Het betoog van eiseres treft geen doel.
Zijn er redenen om de terugwerkende kracht (verder) te matigen?
10. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de SVB niet tot herziening en terugvordering met terugwerkende kracht mag overgaan. Dat is in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres heeft mogen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de besluiten van de SVB. Zij is haar verplichtingen nagekomen. De SVB heeft kennelijk zelf een fout gemaakt. Dit mag niet voor rekening van eiseres komen, zeker niet zes jaar na dato. Voor zover de SVB op de zitting mondeling een (verdere) matiging van de terugwerkende kracht heeft voorgesteld, ziet eiseres geen aanleiding om daarin mee te gaan.
11. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt gelet op de verklaring ter zitting vast dat de SVB het bestreden besluit ten aanzien van de mate van matiging van de terugwerkende kracht niet langer handhaaft. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd en komt dan voor vernietiging in aanmerking.
12. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om te beoordelen of het op de zitting ingenomen gewijzigde standpunt van de SVB standhoudt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar heeft de SVB de melding over de verhuizing van eiseres in januari 2018 niet goed opgepakt, maar het had eiseres duidelijk kunnen en moeten zijn dat de SVB hier een kenbaar evidente fout heeft gemaakt. In het besluit van 16 februari 2018 aan eiseres staat namelijk expliciet dat het AOW-pensioen wordt gewijzigd omdat eiseres niet langer samenwoont met haar partner, terwijl eiseres ook na de verhuizing samenwoonde met haar partner. Het had eiseres dan duidelijk moeten zijn dat dit besluit en de daarop gebaseerde verhoging van haar AOW-pensioen per januari 2018 onjuist is en het had op haar weg gelegen om hiervan melding te maken bij de SVB. Eisers’ beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan reeds om deze reden dan ook niet slagen. Ook uit de toekenning van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden aan haar partner per december 2019 had eiseres kunnen en moeten afleiden dat haar AOW-pensioen op onjuiste gegevens was gebaseerd. De beide pensioenen werden namelijk op hetzelfde bankrekeningnummer gestort en het verschil in hoogte had bij eiseres een bel moeten doen rinkelen. Niet betwist is dat eiseres geen melding heeft gemaakt van haar verhuizing, de voortgezette gezamenlijke huishouding met haar partner en de fout van de SVB. Aan beide partijen kan dus een verwijt worden gemaakt. De rechtbank acht conform SB1407 en de toelichting die de SVB op de zitting heeft gegeven een mate van terugwerkende kracht van 50% dan in de rede liggen.
13. Eiseres heeft op de zitting geen inhoudelijke argumenten tegen deze nadere matiging gericht, anders dan dat de SVB niet op de zitting mondeling met een wijziging/voorstel mag komen. De rechtbank ziet in deze stelling geen aanknopingspunt om het gewijzigde standpunt van de SVB terzijde te schuiven. Een vernietiging van het bestreden besluit en terug verwijzing naar de SVB zal bij deze stand van zaken geen andere uitkomst bieden. De rechtbank ziet daarin dan geen efficiënte afdoening van dit geschil.
14. Eiseres heeft ten slotte geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, noch zijn die gebleken, op grond waarvan een terugwerkende kracht met 50% onevenredig zou zijn.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
16. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de terugwerkende kracht van de herziening vast te stellen op 50% van de totale periode, dus op de meest recente 33 maanden (vanaf november 2020 tot en met juli 2023). Het over die periode onverschuldigd betaalde AOW-pensioen dient eiseres terug te betalen.
17. Omdat het beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De SVB moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 december 2023;
- herroept het besluit van 8 augustus 2023;
- bepaalt dat het AOW-pensioen van eiseres wordt herzien vanaf november 2020 tot en met juli 2023 en dat het over die periode te veel betaalde AOW-pensioen wordt teruggevorderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de SVB tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW
Artikel 24, eerste lid, van de AOW
Artikel 17a, tweede lid, van de AOW
Artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 24, eerste lid, van de AOW
Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
Artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb