Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:4310
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
857 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4388-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 op het verzet van
[opposante] , te [woonplaats] , opposante,
(gemachtigde: A. Stokhof).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (verweerder) van
4 augustus 2023 waarbij verweerder de bezwaarschriften van 30 juni 2023 en 24 juli 2023 als samenhangende zaken heeft beoordeeld en één keer proceskostenvergoeding heeft toegekend.
In de uitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard omdat verweerder terecht één keer kostenvergoeding heeft toegekend, maar zijn besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 juli 2024 niet juist was.
2. Opposante vindt dat de bezwaarschriften ten onrechte als samenhangend worden beschouwt, maar onderbouwt deze stelling verder niet. In de uitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank uitgebreid gemotiveerd waarom er sprake is van samenhangende zaken. De werkzaamheden konden in elk van de zaken identiek zijn nu het gaat om een zelfde feitencomplex en nagenoeg dezelfde gronden. Verder vindt opposante dat de rechtbank een te lage wegingsfactor heeft toegekend, namelijk 0,25. Met ingang van 4 september 2023 hanteerde de rechtbank nieuwe wegingsfactoren. In de uitspraak van 4 september 2023, onder rechtsoverweging 28 en 29, heeft de rechtbank geoordeeld dat zaken waarin het geschil alleen gaat over proceskosten tot de categorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) behoort. Onderhavige zaak valt onder deze categorie en dus heeft de rechtbank terecht wegingsfactor 0,25 toegepast in haar uitspraak van 23 juli 2024. Pas veel later, in de uitspraak van 2 mei 2024, heeft de Raad van State geoordeeld dat wanneer een zaak enkel gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, als "licht" aangemerkt dient te worden en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Daarom zag de rechtbank sinds 24 oktober 2024 aanleiding om voortaan wegingsfactor 0,5 toe te passen. Nu de uitspraak waartegen verzet is ingesteld dateert van 23 juli 2024 heeft de rechtbank dus terecht wegingsfactor 0,25 toegepast.
3. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
23 juli 2024 in stand blijft.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4481
ECLI:NL:RVS:2024:1796