Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-08-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:4307
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
839 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4425
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats], verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft op 3 april 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar de WOZ-waarde van [adres] te [plaats] voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld op € 494.000,-. Verzoeker is op 29 juni 2024 in beroep gegaan. Verzoeker stelt dat de WOZ-waarde van de woning nog € 37.000,- te hoog is vastgesteld. Op 20 februari 2024 heeft verweerder laten weten dat hij de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022, vaststelt op € 456.000,-. Verweerder heeft verzoeker verzocht om zijn beroep in te trekken. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde.
4. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat verzoeker geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.