Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-01
ECLI:NL:RBMNE:2025:3951
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1108
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
A.S. Watson (Health & Beauty Continental Europe) B.V., te Renswoude, eiseres,
(gemachtigde: mr. B. Polman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 7 juni 2023 tegen het primaire besluit van 1 mei 2023.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord.
De rechtbank heeft op 1 april 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiseres heeft haar bezwaar ingediend op 7 juni 2023. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 24 februari 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 27 februari 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
3. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het verzoek binnen de gestelde termijn af te handelen. Ook geeft verweerder aan dat de betrokken werknemer een uitnodiging heeft gehad voor een telefonisch spreekuur op 17 januari 2025 met verzekeringsarts [A] . In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op vier weken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk vier weken na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres.
5. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om zoals eiseres verzoekt, een hogere dwangsom te bepalen.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
7. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat eiseres andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier en de Landelijke Advocaten Tabel blijkt dat de gemachtigde van eiseres in dienst is bij eiseres zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
8. Verweerder moet wel uit eigen beweging het door eiseres betaalde griffierecht van
€ 385,- aan haar terugbetalen. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald moet betalen;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1108
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
A.S. Watson (Health & Beauty Continental Europe) B.V., te Renswoude, eiseres,
(gemachtigde: mr. B. Polman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 7 juni 2023 tegen het primaire besluit van 1 mei 2023.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord.
De rechtbank heeft op 1 april 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiseres heeft haar bezwaar ingediend op 7 juni 2023. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 24 februari 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 27 februari 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
3. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het verzoek binnen de gestelde termijn af te handelen. Ook geeft verweerder aan dat de betrokken werknemer een uitnodiging heeft gehad voor een telefonisch spreekuur op 17 januari 2025 met verzekeringsarts [A] . In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op vier weken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk vier weken na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres.
5. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om zoals eiseres verzoekt, een hogere dwangsom te bepalen.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
7. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat eiseres andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier en de Landelijke Advocaten Tabel blijkt dat de gemachtigde van eiseres in dienst is bij eiseres zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
8. Verweerder moet wel uit eigen beweging het door eiseres betaalde griffierecht van
€ 385,- aan haar terugbetalen. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald moet betalen;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.