Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:3906
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,870 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser(es),
(gemachtigde: D. van der Locht)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder.
Procesverloop
1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 (aanslagnummer [nummer] ) heeft de heffingsambtenaar aan eiser(es) voor belastingkaar 2023 een aanslag afvalstoffenheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing opgelegd.
1.2
Eiser(es) is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 22 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift.
1.4
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser(es) heeft namelijk geen procesbelang, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Overwegingen
2. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser(es) procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:392) is neergelegd dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de eiser(es) met het indienen van het beroep wil behalen, daadwerkelijk kan worden bereikt en als het realiseren van dat resultaat voor eiser(es) feitelijk betekenis kan hebben. Het alleen hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
3. Eiser(es) heeft beroep ingesteld tegen de aanslag van 28 februari 2023 omdat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangeven dat er geen WOZ-beschikking aan eiser(es) is opgelegd omdat eiser(es) geen eigenaar van de woning is.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser(es) geen procesbelang heeft. Op de aanslag staan een drietal heffingen vermeld, waarbij de WOZ-waarde niet als heffingsmaatstaf is gehanteerd. Ten aanzien van deze heffingen zijn geen gronden ingediend. Er zijn alleen gronden ingediend tegen de hoogte van de WOZ-waarde. De WOZ-waarde staat niet op de aanslag. Eiser(es) kan met haar beroep dus niet bereiken wat zij wil bereiken. Er is niet gebleken dat eiser(es) een ander belang heeft bij de beoordeling van het beroep.
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.
de griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser(es),
(gemachtigde: D. van der Locht)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder.
Procesverloop
1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 (aanslagnummer [nummer] ) heeft de heffingsambtenaar aan eiser(es) voor belastingkaar 2023 een aanslag afvalstoffenheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing opgelegd.
1.2
Eiser(es) is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 22 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift.
1.4
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser(es) heeft namelijk geen procesbelang, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Overwegingen
2. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser(es) procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:392) is neergelegd dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de eiser(es) met het indienen van het beroep wil behalen, daadwerkelijk kan worden bereikt en als het realiseren van dat resultaat voor eiser(es) feitelijk betekenis kan hebben. Het alleen hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
3. Eiser(es) heeft beroep ingesteld tegen de aanslag van 28 februari 2023 omdat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangeven dat er geen WOZ-beschikking aan eiser(es) is opgelegd omdat eiser(es) geen eigenaar van de woning is.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser(es) geen procesbelang heeft. Op de aanslag staan een drietal heffingen vermeld, waarbij de WOZ-waarde niet als heffingsmaatstaf is gehanteerd. Ten aanzien van deze heffingen zijn geen gronden ingediend. Er zijn alleen gronden ingediend tegen de hoogte van de WOZ-waarde. De WOZ-waarde staat niet op de aanslag. Eiser(es) kan met haar beroep dus niet bereiken wat zij wil bereiken. Er is niet gebleken dat eiser(es) een ander belang heeft bij de beoordeling van het beroep.
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.
de griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.