Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-25
ECLI:NL:RBMNE:2025:3856
Civiel recht
Kort geding
2,888 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/592292 / KG ZA 25-173
Vonnis in kort geding van 25 juli 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
wonend te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers c.s] ,
advocaat: mr. D.M.N. Metry,
tegen
1STICHTING SAMENWERKINGSVERBAND PASSEND ONDERWIJS,
gevestigd te Ede,
hierna te noemen: SWV2. [gedaagde sub 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. mr. I.A. Hoen
Procesverloop
1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 17 producties,
- de conclusie van antwoord en 2 producties,- de pleitnota van [eisers c.s] ,- de pleitnota van SWV en [gedaagde sub 2] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2025 plaatsgevonden. Partijen hebben hun pleitnota voorgedragen en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de zaak tot nader bericht van eisers aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om onderling tot een oplossing te komen. Op 16 juni 2025 hebben beide partijen een bericht gestuurd. SWV en [gedaagde sub 2] hebben om vonnis gevraagd. [eisers c.s] heeft daarop gereageerd met een verzoek om verdere aanhouding.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens meegedeeld dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1.
[minderjarige] , de [leeftijd] -jarige zoon van [eisers c.s] staat ingeschreven bij het [gedaagde sub 2] en volgt via een maatwerkarrangement onderwijs bij de particuliere instelling [instelling] . SWV en [gedaagde sub 2] betalen dit onderwijs. [minderjarige] ontvangt op [instelling] ook zorg. Die wordt betaald door Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG). SWV en [gedaagde sub 2] hebben [eisers c.s] laten weten dat het onderwijsarrangement volgend schooljaar niet wordt voortgezet en zijn op zoek gegaan naar ander passend onderwijs voor [minderjarige] . Partijen verschillen van mening over de vraag of SWV en [gedaagde sub 2] het onderwijsarrangement mochten stopzetten en of de voorgestelde oplossing passend is voor [minderjarige] . [eisers c.s] krijgt in deze procedure deels gelijk. De subsidiaire vordering om een voorschot op schadevergoeding toe te kennen wordt toegewezen.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3.1.
In een kortgedingprocedure is het nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij op korte termijn een beslissing nodig heeft van de voorzieningenrechter omdat de beslissing in een bodemprocedure niet afgewacht kan worden. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang van [eisers c.s] voldoende aannemelijk is gemaakt. Het schooljaar is ten einde en [eisers c.s] heeft er belang bij dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is over de onderwijssituatie voor hun zoon voor komend schooljaar.
Voortzetting van de Overeenkomst Onderwijs-Jeugd-Arbeidsarrangement
3.2.
[eisers c.s] vordert dat SWV en [gedaagde sub 2] een passende onderwijsplek bieden voor [minderjarige] door onderwijs in te kopen bij het particulier onderwijs. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat [eisers c.s] daarmee bedoelt dat het onderwijs wordt voortgezet, zoals [minderjarige] dat op dit moment op basis van de Overeenkomst Onderwijs-Jeugd-Arbeidsarrangement (hierna: OJA) bij [instelling] ontvangt. [eisers c.s] formuleert dat in de dagvaarding weliswaar als het inkopen van onderwijs, maar daarvan is in deze situatie geen sprake, het onderwijs is uitbesteed. Ook al staat [minderjarige] ingeschreven op het [gedaagde sub 2] , het is duidelijk dat hij onderwijs volgt bij [instelling] . Dat blijkt ook uit de OJA (productie 2 bij de dagvaarding). Daarin staat onder andere dat [minderjarige] zal deelnemen aan het lesprogramma op [instelling] en dat de inschrijving op [gedaagde sub 2] ondersteunend is. Dat het niet om inkopen gaat van onderwijs maar om het volgen van onderwijs bij [instelling] blijkt ook uit het feit dat de voornaamste reden dat [eisers c.s] wil dat het onderwijs bij [instelling] wordt voortgezet, is gelegen in de vrees dat verplaatsing naar een andere onderwijsinstelling opnieuw een schooltrauma zal veroorzaken bij [minderjarige] .
3.3.
De voorzieningenrechter vat de primaire vordering van [eisers c.s] dan ook zo op: SWV en [gedaagde sub 2] moeten het huidige onderwijs bij de particuliere instelling [instelling] op basis van de OJA voortzetten. Dat houdt dus ook in dat SWV en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om de kosten van die particuliere opleiding te blijven betalen. Maar, dat is wettelijk niet toegestaan. Dat volgt uit artikel 1 van het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen (hierna: de experimenteerregeling). In de toelichting op dat artikel staat dat particuliere (niet van rijkswege bekostigde) scholen zijn uitgesloten van deelname aan en uitvoering van het experiment en dat het wettelijk niet is toegestaan om bekostiging over te hevelen naar particulier onderwijs. In dat kader wordt ook verwezen naar het briefadvies van 8 november 2019 van de Onderwijsraad (productie 2 bij de Conclusie van Antwoord) waarin het wordt afgeraden om bekostiging over te hevelen naar particulier onderwijs vanwege het risico van uitholling van het publieke stelsel.
3.4.
Er is een uitzondering voor de inkoop van particulier onderwijs maar, zoals hiervoor onder 3.2 en 3.3 al is overwogen, doet die situatie zich hier niet voor. Dat betekent dat [eisers c.s] via dit kort geding vraagt om SWV en [gedaagde sub 2] te veroordelen om een overeenkomst voort te zetten die wettelijk niet toegestaan is. Dat doet de voorzieningenrechter niet. De primaire vordering van [eisers c.s] wordt daarom afgewezen. Wel ziet de voorzieningenrechter reden om de subsidiaire vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ten aanzien van SWV toe te wijzen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Voorschot op schadevergoeding
3.5.
Uit de stukken en uit de toelichting tijdens de zitting blijkt dat SWV in 2023 een onderwijsarrangement heeft ingericht voor zogenaamde thuiszitters met complexe problematiek. Eén van die thuiszitters was [minderjarige] . SWV heeft in samenwerking met het [gedaagde sub 2] en de particuliere instelling [instelling] de huidige onderwijsconstructie ingericht, waarbij [minderjarige] onderwijs ontvangt van en bij [instelling] maar als leerling ingeschreven staat bij [gedaagde sub 2] . Dit onderwijsarrangement heeft SWV aangeboden in het kader van de experimenteerregeling. Zij heeft daarvoor de OJA opgesteld, die door [gedaagde sub 2] , [instelling] en [eisers c.s] als betrokkenen is ondertekend.
3.6.
Kennelijk verkeerde de toenmalige verantwoordelijke van SWV in de onjuiste veronderstelling dat de experimenteerregeling de mogelijkheid bood om tijdelijk (uiterlijk tot 2028) particulier onderwijs vanuit het publieke stelsel te bekostigen. Tijdens de zitting heeft SWV erkend dat er destijds een fout is gemaakt en dat SWV dit arrangement niet had mogen aanbieden. Feit is echter dat SWV dit wel heeft gedaan en daarmee dus verantwoordelijk is voor de huidige situatie.
3.7.
Die situatie houdt in dat het arrangement niet voortgezet kan worden, maar dat verplaatsing van [minderjarige] naar een andere school een reëel risico meebrengt op hertraumatisering. Dat blijkt uit de verklaringen en rapportages van deskundigen die [eisers c.s] heeft overgelegd. Zo blijkt uit de rapportage van CJG die als productie 5 is overgelegd en die ook de visie van de orthopedagoog van het [instelling] bevat, dat CJG en [instelling] zich zorgen maken om een overplaatsing op korte termijn, omdat [minderjarige] nog niet voldoende hersteld is van zijn schooltrauma. Wijziging in de huidige situatie zal volgens het CJG het eerdere opgelopen trauma kunnen triggeren met een grote kans op terugval in het oude gedrag van stemmingsproblematiek, automutilatie en negatieve gedachten. Overplaatsing zal de positieve ontwikkelingen die [minderjarige] nu laat zien, teniet kunnen doen. Orthopedagoog drs [A] , die [minderjarige] wekelijks psychologische ondersteuning biedt, schrijft dat [minderjarige] een schooltrauma heeft en dat het daarom voor het functioneren van [minderjarige] erg belangrijk is dat hij basisveiligheid ervaart. Die basisveiligheid is nog niet voldoende om de volgende stap te maken (productie 8 dagvaarding). Ook [B] , jeugd- en gezinstherapeut bij [C] , deelt deze visie. Zij zegt dat het overplaatsen van [minderjarige] vanuit zijn huidige veilige omgeving - waarin er voor hem met nog steeds veel leerpunten zijn - extra belastend is en risico op hertraumatisering meebrengt (productie 4 dagvaarding).
3.8.
Het risico op hertraumatisering is hiermee voldoende onderbouwd. SWV en [gedaagde sub 2] hebben ook niet betwist dat overplaatsing van [minderjarige] een nieuw trauma kan opleveren. Daarom acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] dat hij voorlopig onderwijs blijft volgen op [instelling] . Overplaatsing naar een nieuwe school is op dit moment dus niet passend. Ook niet als die nieuwe school, gelet op de problematiek van [minderjarige] , mogelijk wel passend onderwijs zou kunnen bieden. Het is in dit geval namelijk de overplaatsing zelf die het risico op een nieuw trauma meebrengt. Om dat risico te minimaliseren is het nodig dat betrokkenen meer tijd en gelegenheid hebben om met [minderjarige] toe te werken naar de overgang naar een reguliere school die hem passend onderwijs kan bieden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt SWV tot betaling van een voorschot van € 10.000 op de schadevergoeding voor de kosten van particulier onderwijs bij [instelling] , te betalen binnen twee weken na datum van dit vonnis en bij niet betaling vanaf de vijftiende dag te vermeerderen met de wettelijke rente,
4.2.
veroordeelt SWV in de proceskosten van € 1.760,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als hij niet tijdig aan die veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, wordt daar € 92,00 bij opgeteld,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2025 door mr. C.A.J. van Yperen.
wetten.nl - Regeling - Besluit experiment onderwijszorgarrangementen - BWBR0047473
Staatscourant 2022, 31239 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen