Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-07
ECLI:NL:RBMNE:2025:3825
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11359783 \ UC EXPL 24-7019
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: E.P. de Jong
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 4;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 3;- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging eis met producties 5 en 6;
1.2.
De mondelinge behandeling was op 10 april 2025. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Nu volgt deze uitspraak.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiser] heeft (renteloos) € 5.000,00 aan [gedaagde] uitgeleend. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan de terugbetalingsafspraken. [eiser] heeft daarom de leningsovereenkomst ontbonden en vordert in deze procedure (primair) terugbetaling van deze lening in een keer of (subsidiair) nakoming van de terugbetalingsafspraken als de kantonrechter vindt dat de overeenkomst niet is ontbonden. De kantonrechter wijst de primaire vordering af, maar is wel van oordeel dat [gedaagde] het geleende bedrag van € 5.000,- op de hierna vermelde wijze door [gedaagde] moet worden terugbetaald. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe en waarom hij tot dit oordeel is gekomen.
Beoordeling
in conventie en reconventie
Wat is er gebeurd?
3.1.
[gedaagde] had geldproblemen en [eiser] wilde haar helpen. In 2022 hebben [eiser] en [gedaagde] daarom met elkaar afgesproken om over een lening te praten. Partijen hebben elk een andere lezing over wat er toen is besproken over het terugbetalen van de lening. Volgens [eiser] zou [gedaagde] meteen nadat het geld zou zijn overgemaakt maandelijks een bedrag van € 100,00 aan hem terugbetalen, maar dit klopt niet volgens [gedaagde] . Volgens haar heeft zij namelijk duidelijk tegen [eiser] gezegd dat zij het bedrag niet op korte termijn zou kunnen terugbetalen, maar pas zodra zij daartoe in staat was en dat dit nog jaren zou duren.
Hoe is het toen verder gegaan?
3.2.
In juni 2022 heeft [eiser] in totaal € 7.000,- naar [gedaagde] overgemaakt. Niet lang daarna is de sfeer omgeslagen. [eiser] zocht [gedaagde] regelmatig op. Hij wilde dat zij de lening zou terugbetalen. In juni 2023 heeft hij haar per mail laten weten dat hij per direct het hele bedrag terug wilde. Op 5 september 2023 liet [eiser] vervolgens aan [gedaagde] per e-mail weten dat zij niet € 7.000,- maar € 5.000,- aan hem moest terugbetalen. De rest (€ 2.000,-) werd omgezet in een schenking. Een jaar later (13 september 2024) stuurde [eiser] weer een e-mail aan [gedaagde] waarin hij de overeenkomst ontbond en alsnog aanspraak maakte op terugbetaling van de hele lening, dus € 7.000,-.
Wat wil [eiser] ?
3.3.
In de dagvaarding eiste [eiser] terugbetaling van het eerder genoemde bedrag van € 7.000,-. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij € 2.000,- aan [gedaagde] heeft geschonken. Hij heeft zijn eis daarom verminderd. Na deze vermindering van eis vraagt [eiser] aan de kantonrechter om een verklaring voor recht dat de leningsovereenkomst rechtmatig door hem is ontbonden en om [gedaagde] te veroordelen om € 5.000,- aan hem terug te betalen, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de leningsovereenkomst niet is ontbonden, vraagt [eiser] subsidiair aan de kantonrechter om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de terugbetalingsafspraak, wat volgens [eiser] betekent dat [gedaagde] vanaf 25 oktober 2022 (of een andere datum) € 100,- per maand aan hem moet terugbetalen.
Wat vindt [gedaagde] en wat wil zij?
3.4.
[gedaagde] erkent dat zij € 5.000,- van [eiser] heeft geleend, maar volgens haar heeft zij dus geen betalingstermijnen met hem afgesproken. [gedaagde] stelt dat zij de lening van [eiser] mocht terugbetalen wanneer zij daartoe in staat was. De lening is volgens haar dus nog niet opeisbaar, waardoor zij niet in verzuim verkeert. De overeenkomst had volgens haar daarom niet ontbonden mogen worden. [gedaagde] heeft ook nog een tegenvordering ingesteld, namelijk dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de leningsovereenkomst niet rechtsgeldig door [eiser] is ontbonden. Daarnaast vordert [gedaagde] ook een vergoeding van de reële proceskosten, omdat [eiser] volgens haar de rechter onjuist heeft geïnformeerd.
Wat hebben partijen met elkaar afgesproken over de terugbetaling van de lening?
3.5.
Om vast te kunnen stellen of [eiser] de overeenkomst had mogen ontbinden, moet de kantonrechter in de eerste plaats beoordelen wat partijen met elkaar hebben afgesproken over het terugbetalen van de lening. Gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kantonrechter van oordeel dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de lening mocht terugbetalen zodra zij hiertoe in staat was. [eiser] heeft dit verweer van [gedaagde] namelijk onvoldoende betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat hij met [gedaagde] had besproken dat zij de lening mocht terugbetalen met “wat ze kon missen per maand” en gaf hij verder in reactie op het verweer van [gedaagde] slechts aan dat hij zich – gelet op zijn leeftijd – weinig meer kon herinneren over wat hij met [gedaagde] heeft besproken over de terugbetalingsvoorwaarden. Verder heeft [eiser] niets overgelegd waaruit blijkt dat partijen overeen zijn gekomen dat [gedaagde] € 100,- per maand zou gaan betalen, zoals hij stelt. [eiser] heeft weliswaar een leningsovereenkomst overgelegd waarin staat dat [gedaagde] maandelijks € 100,- zou gaan betalen, maar [gedaagde] stelt dat zij deze pas in een veel later stadium (in 2023) van [eiser] heeft ontvangen en hier nooit mee akkoord is gegaan. Dit is niet door [eiser] betwist.
Opeisbaarheid lening
3.6.
De kantonrechter gaat er dus van uit dat [gedaagde] het geleende bedrag mocht terugbetalen wanneer zij daartoe in staat zou zijn en kan daarom op grond van artikel 7:129f van het Burgerlijk Wetboek het tijdstip van opeisbaarheid nader bepalen. De kantonrechter vindt het mede gelet op de leeftijd van [eiser] niet redelijk dat [gedaagde] – zoals zij zelf tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven – pas in 2032 de lening zou hoeven terugbetalen. De kantonrechter zal daarom bepalen dat er met ingang van 1 juni 2026 iedere maand van het geleende bedrag een bedrag van € 100,- opeisbaar wordt. Als [gedaagde] een termijn niet of niet tijdig voldoet, zal het gehele nog openstaande bedrag ineens opeisbaar worden.
3.7.
[gedaagde] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er momenteel voor haar een aanvraag loopt tot toelating tot de wettelijke schuldsanering (Wsnp). De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in dat geval wel in staat moet zijn om zijn vordering in te dienen bij de bewindvoerder. Daarom zal de kantonrechter daarom beslissen dat de vordering van [eiser] in elk geval volledig opeisbaar wordt als [gedaagde] tot de wettelijke schuldsanering wordt toegelaten (ook als dat al voor 1 juni 2026 is).
Wat betekent dit voor de vorderingen van [eiser] ?
3.8.
[eiser] en [gedaagde] zijn geen betalingstermijnen overeengekomen. Dit betekent dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van de leningsovereenkomst door geen € 100,- per maand te betalen sinds 25 oktober 2022. [eiser] kon de overeenkomst daarom ook niet op die grond buitengerechtelijk ontbinden. De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht dan ook afwijzen. De vordering tot een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt ook afgewezen, omdat [gedaagde] niet in verzuim is.
3.9.
De kantonrechter is wel van oordeel dat [gedaagde] het geleende bedrag moet terugbetalen onder de voorwaarden zoals hiervoor omschreven in randnummers 3.6 en 3.7. De kantonrechter wijst daarnaast de gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW toe op de wijze zoals in het dictum is vermeld. Weliswaar hebben partijen afgesproken dat de lening renteloos is, maar dat sluit niet uit dat in geval [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van haar betalingsverplichting zij de vertragingsrente van artikel 6:119 BW verschuldigd zal zijn.
Wat betekent dit voor de tegenvordering van [gedaagde] ?
3.10.
Hoewel de leningsovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden door [eiser] , wordt de gevorderde verklaring voor recht van [gedaagde] afgewezen, omdat zij niet heeft onderbouwd welk belang zij bij deze vordering heeft en een belang bij een vordering is op grond van artikel 3:303 BW wel vereist.
Wie moet de proceskosten betalen?
3.11.
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] van het geleende bedrag van € 5.000,- een bedrag van € 100,- per maand te betalen steeds uiterlijk op de eerste dag van iedere maand met ingang van 1 juni 2026 (de eerste termijn is verschuldigd uiterlijk op 1 juni 2026), waarbij geldt dat het gehele op enig moment nog openstaande gedeelte van het geleende bedrag ineens opeisbaar is als:
[gedaagde] een termijn niet of niet tijdig voldoet;
[gedaagde] wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering als bedoeld in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), ook als dat gebeurt voor 1 juni 2026;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoel in artikel 6:119 BW over de verschuldigde bedragen vanaf het moment dat [gedaagde] met de betaling daarvan in verzuim verkeert, tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.198,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.7.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
4.8.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
EM 62935