Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-26
ECLI:NL:RBMNE:2025:3809
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/26
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Bulgarije), eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 3 januari 2025, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 4 januari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 16 januari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiser geen gelijk heeft, omdat verweerder geen ingebrekestelling heeft ontvangen. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De rechtbank heeft eiser op 8 januari 2025 verzocht een kopie toe te sturen van de brief waarmee verweerder in gebreke is gesteld. Eiser heeft hierop gereageerd en de ingebrekestelling overgelegd. De overgelegde ingebrekestellingen dateren van 17 juli 2023 en 4 januari 2025. Deze ingebrekestellingen zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag en niet tegen de aanvraag om aanvullende schadevergoeding.
3. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal behandelen.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/26
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Bulgarije), eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 3 januari 2025, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 4 januari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 16 januari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiser geen gelijk heeft, omdat verweerder geen ingebrekestelling heeft ontvangen. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De rechtbank heeft eiser op 8 januari 2025 verzocht een kopie toe te sturen van de brief waarmee verweerder in gebreke is gesteld. Eiser heeft hierop gereageerd en de ingebrekestelling overgelegd. De overgelegde ingebrekestellingen dateren van 17 juli 2023 en 4 januari 2025. Deze ingebrekestellingen zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag en niet tegen de aanvraag om aanvullende schadevergoeding.
3. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal behandelen.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.