Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:3686
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).
Procesverloop
Eiseres heeft op 30 mei 2023 een verzoek om herbeoordeling ingediend. Vanwege het uitblijven van een beslissing op dit verzoek heeft eiseres verweerder op 7 november 2023 in gebreke gesteld. Op 16 december 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijk wordt gesteld met een besluit. Artikel 6:12, tweede lid, onderdeel b, van de Awb bepaalt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld kan worden wanneer twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk is als het beroep onredelijk laat is ingediend.
3. De wetgever heeft geen termijn vastgesteld voor het antwoord op de vraag wanneer een beroep onredelijk laat is ingediend. De beantwoording van de vraag of een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, onredelijk laat is ingediend, is afhankelijk van de omstandigheden die volgens de belanghebbende de oorzaak zijn dat het beroepschrift zo laat is ingediend.
4. Het verzoek om herbeoordeling is ontvangen door verweerder op 1 juni 2023. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op dit verzoek moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 27 juli 2023 een beslissing op dit verzoek had moeten nemen.
5. Zoals in het procesverloop is vermeld heeft eiseres verweerder op 7 november 2023 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op
9 november 2023 heeft ontvangen. Op 16 december 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek om herbeoordeling.
6. Nu eiseres pas na één jaar en één maand het beroepschrift heeft ingediend na het versturen van de ingebrekestelling, is de rechtbank van oordeel dat het beroep onredelijk laat is ingediend, als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. In het beroepschrift van
16 december 2024 heeft eiseres aangegeven dat er meermaals telefonisch contact is geweest met het UWV om te vragen naar de status van de herbeoordeling. Het is niet duidelijk wanneer deze contactmomenten zijn geweest en hoeveel tijd er tussen de contactmomenten heeft gezeten waarin eiseres geen actie ondernam. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan eiseres niet eerder een beroepschrift had kunnen indienen. Als eiseres belang hechtte aan een spoedige beslissing op haar verzoek om herbeoordeling van 30 mei 2023, had het op de weg van eiseres gelegen om eerder beroep in te dienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Er zijn door eiseres geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een bijzondere omstandigheid opleveren dat het beroep niet onredelijk laat is ingediend.
7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2025.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.