Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-28
ECLI:NL:RBMNE:2025:3657
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummers: C/16/593873 / JL RK 25-363 (ondertoezichtstelling)
C/16/592956 / JL RK 25-329 (machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 28 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Midden-Nederland, [plaats 1] ,
hierna te noemen de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige (voornaam)] ,
advocaat mr. F.L. Lischer.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma]
,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de oma.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter heeft in de procedure met zaaknummer
C/16/593873 / JL RK 25-363 de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 22 mei 2025;
het definitieve rapport van de Raad, ontvangen op 26 mei 2025;
een aanvullend stuk van de Raad, ontvangen op 6 juni 2025.
1.2.
De kinderrechter heeft in de procedure met zaaknummer
C/16/592956 / JL RK 25-329 de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 6 mei 2025;
een brief van de moeder, ontvangen op 19 mei 2025;
een brief van de oma van [minderjarige (voornaam)] , ontvangen op 19 mei 2025;
een aanvullend stuk van de GI, ontvangen op 19 mei 2025;
stukken van de advocaat van [minderjarige (voornaam)] , ontvangen op 20 mei 2025.
1.3.
De verzoeken in beide procedures zijn behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren op 28 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige (voornaam)] met zijn advocaat;
[A] namens de Raad;
[B] namens de GI;
[C] en [D] namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
de moeder;
de oma;
een begeleider van [minderjarige (voornaam)] van [instelling 1] ;
een bij [minderjarige (voornaam)] betrokken politieagent.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 maart 2025 [minderjarige (voornaam)] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 juni 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 maart 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige (voornaam)] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 21 maart 2025. Bij beschikking van 18 maart 2025, hersteld bij beschikking van 29 april 2025, heeft de kinderrechter de machtiging voor gesloten jeugdhulp verleend tot 7 juni 2025.
3Het verzoek
3.1.
In de procedure met zaaknummer C/16/593873 / JL RK 25-363 verzoekt de Raad [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
In de procedure met zaaknummer C/16/592956 / JL RK 25-329 verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beoordeling
Voorgeschiedenis
4.1.
[minderjarige (voornaam)] is al sinds zijn derde bekend met forse problematiek. [instelling 2] is in 2014 en in 2018 betrokken geweest in verband met zelfbepalend gedrag, slaapproblemen, een discrepant intelligentieniveau en een afwijking in de motoriek. Er is destijds voornamelijk ingezet op thuishulp. Sinds 2024 zijn de zorgen groter na meerdere zorgmeldingen over ruzies thuis waarbij [minderjarige (voornaam)] onder andere zijn moeder probeert te wurgen en dingen vernielt. De politie moet meermaals komen om in te grijpen. Het broertje van [minderjarige (voornaam)] verblijft bij oma omdat het thuis onvoldoende veilig is. Naast de incidenten thuis is [minderjarige (voornaam)] in 2024 ook veelvuldig in beeld bij de politie in verband met bijvoorbeeld bedreigingen en overlast op school, vermist zijn en het bij zich hebben van messen.
4.2.
Sinds mei 2024 heeft [minderjarige (voornaam)] meerdere periodes niet thuis verbleven omdat dat niet meer veilig was. De moeder was het ermee eens dat [minderjarige (voornaam)] niet meer thuis kon wonen, maar was het niet eens met de plekken waar [minderjarige (voornaam)] geplaatst werd. Hij heeft eerst bij [instelling 3] verbleven en later bij een woongroep van [instelling 4] . Volgens de moeder was [instelling 4] een groep gericht op begeleid wonen, waar vooral oudere jongens verbleven die alcohol en drugs gebruikten en met wapens bezig waren. Dit heeft volgens de moeder een heel slechte invloed op [minderjarige (voornaam)] gehad. Ook vanuit de politie zijn er in 2025 nog meer zorgen gekomen over [minderjarige (voornaam)] en zijn er veel meldingen bij Veilig Thuis gedaan. Zo heeft [minderjarige (voornaam)] meerdere keren brand gesticht op zijn kamer, liep hij rond met een gelijkend vuurwapen en heeft hij op school gedreigd met een zwaard van ruim een meter lang.
4.3.
Uiteindelijk is [minderjarige (voornaam)] begin maart 2025 door de moeder bij [instelling 4] weggehaald en naar een crisisplek bij [instelling 3] in [plaats 2] gebracht. Volgens de moeder wilde [instelling 5] die crisisplek niet financieren en is toen de Raad betrokken geraakt omdat [minderjarige (voornaam)] ook niet naar huis kon. In het Raadsrapport staat beschreven dat [instelling 3] [minderjarige (voornaam)] niet langer wilde opvangen vanwege de te grote risico’s van onveiligheid voor de mede groepsgenoten. Feit is in ieder geval dat Veilig Thuis uiteindelijk op 7 maart 2025 contact heeft gezocht met de Raad en er met spoed een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdzorg verzocht is. De kinderrechter heeft deze uitgesproken en sindsdien verblijft [minderjarige (voornaam)] op een gesloten plek bij [instelling 1] .
4.4.
De kinderrechter vindt het onbegrijpelijk dat de Raad (en dus ook de rechtbank) niet eerder betrokken zijn geraakt bij [minderjarige (voornaam)] en het gezin. Zoals hiervoor beschreven zijn er al ruim tien jaar zorgen over [minderjarige (voornaam)] en de onveiligheid die zijn gedrag voor hemzelf en de mensen om hem heen met zich meebrengt. Zeker het afgelopen jaar hebben veel ernstige incidenten plaatsgevonden waarvan ook veelvuldig melding is gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft iedere keer enkel teruggekoppeld naar [instelling 5] ( [instelling 5] ) en er is nooit een jeugdbeschermingstafel (JBT) georganiseerd ondanks dat de moeder daar naar eigen zeggen meermaals om gevraagd heeft. De kinderrechter vraagt zich zeer af waarom niet eerder is aangestuurd op een JBT of een Raadsonderzoek. De vraag of [minderjarige (voornaam)] niet ernstig bedreigd werd in zijn ontwikkeling moet toch al vaker zijn opgekomen. In een dergelijke situatie ligt een Raadsonderzoek voor de hand. Daarbij komt dat een uithuisplaatsing een vergaande maatregel is, die in principe door de kinderrechter genomen wordt. Er kan weliswaar besloten worden tot een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader, maar dan is de instemming van ouders vereist. De moeder van [minderjarige (voornaam)] heeft uitdrukkelijk gesteld zich niet te hebben kunnen verenigen met de uithuisplaatsing bij [instelling 4] . Deze is toch doorgezet door het [instelling 5] . De moeder heeft zich jaren ingezet om zelf passende hulp voor [minderjarige (voornaam)] te organiseren, maar toen [instelling 5] betrokken is geraakt zijn ze, naar moeder stelt, overal van de wachtlijst (onder andere bij [instelling 6] en bij [instelling 3] ) gehaald. Vorig jaar zou eindelijk een Multi Systeem Therapie (MST) traject bij de [instelling 7] starten. Toch is ook dat niet doorgegaan omdat [instelling 5] maar vier tot vijf maanden wilde financieren terwijl de [instelling 7] aangaf een jaar nodig te hebben. Gevolg is dat het met [minderjarige (voornaam)] steeds slechter is gegaan en dat hij langere periodes uit huis is geplaatst op - zoals het nu lijkt - in ieder geval één niet passende plek, zonder dat hij passende hulp heeft gekregen en zonder dat daar door de kinderrechter een machtiging voor is uitgesproken. De kinderrechter vindt dat onaanvaardbaar.
Ondertoezichtstelling
4.5.
Gelet op alle hiervoor beschreven zorgen is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Duidelijk is dat de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] al geruime tijd ernstig wordt bedreigd. Ondanks dat de moeder en ook oma daar hun best voor hebben gedaan, is het niet gelukt om die ontwikkelingsbedreiging in het vrijwillig kader weg te nemen. De kinderrechter vindt het heel belangrijk dat de inmiddels betrokken gezinsvoogd samen met [minderjarige (voornaam)] , de moeder en oma gaat kijken naar een goed plan voor de toekomst. Er zal passende hulp en begeleiding moeten komen voor hen allemaal. Tijdens de zitting is besproken dat iedereen het er over eens is dat [minderjarige (voornaam)] niet direct weer bij de moeder kan wonen, maar dat het beter is (ook voor zijn jongere broertje) als hij eerst naar oma toe zal gaan. De GI zal daarom ook oma moeten betrekken en begeleiden. Ook is het van groot belang dat [minderjarige (voornaam)] snel weer naar school kan en passend onderwijs kan volgen.
4.6.
Ondanks dat de moeder eigenlijk geen bemoeienis van instanties meer wil, weet zij ook dat er hulp nodig is om [minderjarige (voornaam)] weer op een fijne manier thuis te kunnen laten wonen. De kinderrechter begrijpt dat het vertrouwen van [minderjarige (voornaam)] en de moeder in de hulpverlening geschaad is door het verloop de afgelopen jaren. Toch hoopt de kinderrechter dat zij zullen proberen om zich in samenwerking met de gezinsvoogd in te zetten om een goed plan te maken voor de inzet van passende hulp met als doel de terugkeer van [minderjarige (voornaam)] naar huis.
4.7.
De namens de Raad aanwezige vertegenwoordiger heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij niet weet waarom is verzocht [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. De voorlopige ondertoezichtstelling is uitgevoerd door de GI (Samen Veilig Midden-Nederland) en het is belangrijk dat zij hun betrokkenheid kunnen voortzetten. Mogelijk is het de bedoeling geweest om te verzoeken het broertje van [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, maar dat is zowel in het verzoek als in de rapportage niet toegelicht. De namens de GI aanwezige vertegenwoordiger heeft tijdens de zitting ook verteld dat zij niet op de hoogte is van een eventuele overdracht. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de huidige GI betrokken blijft omdat het niet in het belang is van [minderjarige (voornaam)] als er nu alweer een wisseling van gezinsvoogd plaatsvindt en hulpverlening daardoor mogelijk opnieuw moet worden opgestart of vertraging oploopt.
Dictum
De kinderrechter:
in de procedure met zaaknummer C/16/593873 / JL RK 25-363
5.1.
stelt [minderjarige (voornaam)] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 7 juni 2025 tot 7 juni 2026;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
in de procedure met zaaknummer C/16/592956 / JL RK 25-329
5.3.
verleent een machtiging om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 juni 2025 tot 7 september 2025;
5.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 7 september 2025, tegen welke zitting de GI, de moeder, de oma en [minderjarige (voornaam)] en zijn advocaat dienen te worden opgeroepen;
5.6.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de zitting de kinderrechter schriftelijk te informeren over hoe het gaat met [minderjarige (voornaam)] en over wat er de afgelopen maanden is gebeurd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025 door
mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L. de Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 4 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummers: C/16/593873 / JL RK 25-363 (ondertoezichtstelling)
C/16/592956 / JL RK 25-329 (machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 28 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Midden-Nederland, [plaats 1] ,
hierna te noemen de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige (voornaam)] ,
advocaat mr. F.L. Lischer.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma]
,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de oma.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter heeft in de procedure met zaaknummer
C/16/593873 / JL RK 25-363 de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 22 mei 2025;
het definitieve rapport van de Raad, ontvangen op 26 mei 2025;
een aanvullend stuk van de Raad, ontvangen op 6 juni 2025.
1.2.
De kinderrechter heeft in de procedure met zaaknummer
C/16/592956 / JL RK 25-329 de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 6 mei 2025;
een brief van de moeder, ontvangen op 19 mei 2025;
een brief van de oma van [minderjarige (voornaam)] , ontvangen op 19 mei 2025;
een aanvullend stuk van de GI, ontvangen op 19 mei 2025;
stukken van de advocaat van [minderjarige (voornaam)] , ontvangen op 20 mei 2025.
1.3.
De verzoeken in beide procedures zijn behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren op 28 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige (voornaam)] met zijn advocaat;
[A] namens de Raad;
[B] namens de GI;
[C] en [D] namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
de moeder;
de oma;
een begeleider van [minderjarige (voornaam)] van [instelling 1] ;
een bij [minderjarige (voornaam)] betrokken politieagent.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 maart 2025 [minderjarige (voornaam)] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 juni 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 maart 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige (voornaam)] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 21 maart 2025. Bij beschikking van 18 maart 2025, hersteld bij beschikking van 29 april 2025, heeft de kinderrechter de machtiging voor gesloten jeugdhulp verleend tot 7 juni 2025.
3Het verzoek
3.1.
In de procedure met zaaknummer C/16/593873 / JL RK 25-363 verzoekt de Raad [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
In de procedure met zaaknummer C/16/592956 / JL RK 25-329 verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beoordeling
Voorgeschiedenis
4.1.
[minderjarige (voornaam)] is al sinds zijn derde bekend met forse problematiek. [instelling 2] is in 2014 en in 2018 betrokken geweest in verband met zelfbepalend gedrag, slaapproblemen, een discrepant intelligentieniveau en een afwijking in de motoriek. Er is destijds voornamelijk ingezet op thuishulp. Sinds 2024 zijn de zorgen groter na meerdere zorgmeldingen over ruzies thuis waarbij [minderjarige (voornaam)] onder andere zijn moeder probeert te wurgen en dingen vernielt. De politie moet meermaals komen om in te grijpen. Het broertje van [minderjarige (voornaam)] verblijft bij oma omdat het thuis onvoldoende veilig is. Naast de incidenten thuis is [minderjarige (voornaam)] in 2024 ook veelvuldig in beeld bij de politie in verband met bijvoorbeeld bedreigingen en overlast op school, vermist zijn en het bij zich hebben van messen.
4.2.
Sinds mei 2024 heeft [minderjarige (voornaam)] meerdere periodes niet thuis verbleven omdat dat niet meer veilig was. De moeder was het ermee eens dat [minderjarige (voornaam)] niet meer thuis kon wonen, maar was het niet eens met de plekken waar [minderjarige (voornaam)] geplaatst werd. Hij heeft eerst bij [instelling 3] verbleven en later bij een woongroep van [instelling 4] . Volgens de moeder was [instelling 4] een groep gericht op begeleid wonen, waar vooral oudere jongens verbleven die alcohol en drugs gebruikten en met wapens bezig waren. Dit heeft volgens de moeder een heel slechte invloed op [minderjarige (voornaam)] gehad. Ook vanuit de politie zijn er in 2025 nog meer zorgen gekomen over [minderjarige (voornaam)] en zijn er veel meldingen bij Veilig Thuis gedaan. Zo heeft [minderjarige (voornaam)] meerdere keren brand gesticht op zijn kamer, liep hij rond met een gelijkend vuurwapen en heeft hij op school gedreigd met een zwaard van ruim een meter lang.
4.3.
Uiteindelijk is [minderjarige (voornaam)] begin maart 2025 door de moeder bij [instelling 4] weggehaald en naar een crisisplek bij [instelling 3] in [plaats 2] gebracht. Volgens de moeder wilde [instelling 5] die crisisplek niet financieren en is toen de Raad betrokken geraakt omdat [minderjarige (voornaam)] ook niet naar huis kon. In het Raadsrapport staat beschreven dat [instelling 3] [minderjarige (voornaam)] niet langer wilde opvangen vanwege de te grote risico’s van onveiligheid voor de mede groepsgenoten. Feit is in ieder geval dat Veilig Thuis uiteindelijk op 7 maart 2025 contact heeft gezocht met de Raad en er met spoed een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdzorg verzocht is. De kinderrechter heeft deze uitgesproken en sindsdien verblijft [minderjarige (voornaam)] op een gesloten plek bij [instelling 1] .
4.4.
De kinderrechter vindt het onbegrijpelijk dat de Raad (en dus ook de rechtbank) niet eerder betrokken zijn geraakt bij [minderjarige (voornaam)] en het gezin. Zoals hiervoor beschreven zijn er al ruim tien jaar zorgen over [minderjarige (voornaam)] en de onveiligheid die zijn gedrag voor hemzelf en de mensen om hem heen met zich meebrengt. Zeker het afgelopen jaar hebben veel ernstige incidenten plaatsgevonden waarvan ook veelvuldig melding is gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft iedere keer enkel teruggekoppeld naar [instelling 5] ( [instelling 5] ) en er is nooit een jeugdbeschermingstafel (JBT) georganiseerd ondanks dat de moeder daar naar eigen zeggen meermaals om gevraagd heeft. De kinderrechter vraagt zich zeer af waarom niet eerder is aangestuurd op een JBT of een Raadsonderzoek. De vraag of [minderjarige (voornaam)] niet ernstig bedreigd werd in zijn ontwikkeling moet toch al vaker zijn opgekomen. In een dergelijke situatie ligt een Raadsonderzoek voor de hand. Daarbij komt dat een uithuisplaatsing een vergaande maatregel is, die in principe door de kinderrechter genomen wordt. Er kan weliswaar besloten worden tot een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader, maar dan is de instemming van ouders vereist. De moeder van [minderjarige (voornaam)] heeft uitdrukkelijk gesteld zich niet te hebben kunnen verenigen met de uithuisplaatsing bij [instelling 4] . Deze is toch doorgezet door het [instelling 5] . De moeder heeft zich jaren ingezet om zelf passende hulp voor [minderjarige (voornaam)] te organiseren, maar toen [instelling 5] betrokken is geraakt zijn ze, naar moeder stelt, overal van de wachtlijst (onder andere bij [instelling 6] en bij [instelling 3] ) gehaald. Vorig jaar zou eindelijk een Multi Systeem Therapie (MST) traject bij de [instelling 7] starten. Toch is ook dat niet doorgegaan omdat [instelling 5] maar vier tot vijf maanden wilde financieren terwijl de [instelling 7] aangaf een jaar nodig te hebben. Gevolg is dat het met [minderjarige (voornaam)] steeds slechter is gegaan en dat hij langere periodes uit huis is geplaatst op - zoals het nu lijkt - in ieder geval één niet passende plek, zonder dat hij passende hulp heeft gekregen en zonder dat daar door de kinderrechter een machtiging voor is uitgesproken. De kinderrechter vindt dat onaanvaardbaar.
Ondertoezichtstelling
4.5.
Gelet op alle hiervoor beschreven zorgen is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Duidelijk is dat de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] al geruime tijd ernstig wordt bedreigd. Ondanks dat de moeder en ook oma daar hun best voor hebben gedaan, is het niet gelukt om die ontwikkelingsbedreiging in het vrijwillig kader weg te nemen. De kinderrechter vindt het heel belangrijk dat de inmiddels betrokken gezinsvoogd samen met [minderjarige (voornaam)] , de moeder en oma gaat kijken naar een goed plan voor de toekomst. Er zal passende hulp en begeleiding moeten komen voor hen allemaal. Tijdens de zitting is besproken dat iedereen het er over eens is dat [minderjarige (voornaam)] niet direct weer bij de moeder kan wonen, maar dat het beter is (ook voor zijn jongere broertje) als hij eerst naar oma toe zal gaan. De GI zal daarom ook oma moeten betrekken en begeleiden. Ook is het van groot belang dat [minderjarige (voornaam)] snel weer naar school kan en passend onderwijs kan volgen.
4.6.
Ondanks dat de moeder eigenlijk geen bemoeienis van instanties meer wil, weet zij ook dat er hulp nodig is om [minderjarige (voornaam)] weer op een fijne manier thuis te kunnen laten wonen. De kinderrechter begrijpt dat het vertrouwen van [minderjarige (voornaam)] en de moeder in de hulpverlening geschaad is door het verloop de afgelopen jaren. Toch hoopt de kinderrechter dat zij zullen proberen om zich in samenwerking met de gezinsvoogd in te zetten om een goed plan te maken voor de inzet van passende hulp met als doel de terugkeer van [minderjarige (voornaam)] naar huis.
4.7.
De namens de Raad aanwezige vertegenwoordiger heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij niet weet waarom is verzocht [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. De voorlopige ondertoezichtstelling is uitgevoerd door de GI (Samen Veilig Midden-Nederland) en het is belangrijk dat zij hun betrokkenheid kunnen voortzetten. Mogelijk is het de bedoeling geweest om te verzoeken het broertje van [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, maar dat is zowel in het verzoek als in de rapportage niet toegelicht. De namens de GI aanwezige vertegenwoordiger heeft tijdens de zitting ook verteld dat zij niet op de hoogte is van een eventuele overdracht. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de huidige GI betrokken blijft omdat het niet in het belang is van [minderjarige (voornaam)] als er nu alweer een wisseling van gezinsvoogd plaatsvindt en hulpverlening daardoor mogelijk opnieuw moet worden opgestart of vertraging oploopt.
Dictum
De kinderrechter:
in de procedure met zaaknummer C/16/593873 / JL RK 25-363
5.1.
stelt [minderjarige (voornaam)] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 7 juni 2025 tot 7 juni 2026;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
in de procedure met zaaknummer C/16/592956 / JL RK 25-329
5.3.
verleent een machtiging om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 juni 2025 tot 7 september 2025;
5.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 7 september 2025, tegen welke zitting de GI, de moeder, de oma en [minderjarige (voornaam)] en zijn advocaat dienen te worden opgeroepen;
5.6.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de zitting de kinderrechter schriftelijk te informeren over hoe het gaat met [minderjarige (voornaam)] en over wat er de afgelopen maanden is gebeurd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025 door
mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L. de Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 4 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).