Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-23
ECLI:NL:RBMNE:2025:3611
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,349 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/6472 en UTR 24/4544
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1], en
2. [eiser sub 2],
beiden uit [plaats 1] , eisers
en
het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, namens deze, de Inspectie Leefomgeving en transport, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Bal).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde partij] B.V. uit [plaats 2] ( [derde partij] )
(gemachtigde: mr. M. Zeegers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eisers belanghebbenden zijn bij hun handhavingsverzoeken. Eisers menen dat zij hierbij wel belanghebbenden zijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat in de beroepsprocedure met zaaknummer UTR 23/6472 het beroep van eiser 1 ongegrond is en het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk is. Het beroep van eiser 1 tegen het niet tijdig nemen van besluit is niet-ontvankelijk. In de beroepsprocedure UTR 24/4544 komt de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 11 juni 2023 heeft eiser 1 de Inspectie Leefomgeving en Transport verzocht handhavend op te treden vanwege overtredingen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Eiser verzoekt onder verwijzing naar de Richtlijn voor strafvordering Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van vervoer over de weg om het opleggen van boetes aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. voor overtredingen vanwege geen of verkeerde classificatie van botox als gevaarlijke stof, het zonder toestemming van het bevoegde gezag laden en lossen op een publiek toegankelijke plaats en het niet onder toezicht stellen van voertuigen.
2.1.
Met het primaire besluit van 10 juli 2023 (het primaire besluit I) is het verzoek om handhaving afgewezen. Volgens verweerder is botox in poedervorm een geneesmiddel en is de CLP-verordening niet van toepassing is. De botox hoeft daarom niet te worden ingedeeld zoals voorgeschreven in de CLP-verordening. Ook is de ADR categorie(klasse) 6.1 verpakkingsgroep I niet van toepassing op het geneesmiddel Botulinum Toxin Type A.
2.2.
Eiser 1 heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Eiser 1 heeft op 24 september 2023 aanvullende bezwaargronden ingediend en een tweede verzoek om handhaving. Eiser verzoekt verweerder de indeling voor aquatisch gevaar vast te stellen voor botuline toxine houdende preparaten. Volgens eiser houdt geen van de fabrikanten en leveranciers zich aan de verplichtingen om botuline toxine houdende preparaten te classificeren en te etiketteren. Naast de verplichting van classificeren en etiketteren is er de verplichting gevaren te communiceren volgens artikel 48 van de CLP-verordening. Eiser 1 verzoekt verweerder om hierop te handhaven.
2.4.
Met de brieven van 30 oktober en 1 november 2023 heeft verweerder eiser 1 verzocht om aan te geven waarom hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij zijn tweede handhavingsverzoek van 24 september 2023 en bij het primaire besluit van 10 juli 2023. Op 8 november 2023 heeft eiser onderbouwd waarom hij als belanghebbende moet worden aangemerkt. Ook heeft eiser 1 aangegeven het tweede handhavingsverzoek van 24 september 2023 mede namens eiser 2 te hebben ingediend en heeft hij hiertoe een machtiging overgelegd.
2.5.
Op 20 november 2023 heeft eiser 1 verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het primaire besluit 1.
2.6.
Op 4 december 2023 heeft eiser 1 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
2.7.
Verweerder heeft met de beslissing op bezwaar van 6 december 2023 (het bestreden besluit I) het bezwaar van eiser 1 gericht tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
2.8.
Het beroep van eiser 1 over het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar heeft van rechtswege ook betrekking op het daarna alsnog genomen bestreden besluit 1.
2.9.
Met het besluit van 8 december 2023 (het primaire besluit II) is het tweede handhavingsverzoek van 24 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
2.10.
Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.11.
Verweerder heeft met de beslissing op bezwaar van 3 mei 2024 (het bestreden besluit II) het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
2.12.
Eiser 1 heeft in de beroepsprocedure met zaaknummer UTR 23/6472 op
17 mei 2024 aanvullende stukken ingediend.
2.13.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.14.
Het beroep met zaaknummer UTR 23/6472 zou worden behandeld op de zitting van 28 mei 2024. De rechtbank heeft de beroepsprocedure een aantal dagen voor de geplande zittingsdatum verwezen naar een meervoudige kamer zitting.
2.15.
Op 9 juni 2024 hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/4544.
2.16.
Op 30 september 2024 heeft de gemachtigde van de derde-belanghebbende een reactie ingediend.
2.17.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van [derde partij] .
Beoordeling
3. De beroepsprocedure met zaaknummer UTR 23/6472 gaat over het beroep van eiser 1 en eiser 2 gericht tegen het bestreden besluit I waarbij het bezwaar van eiser 1 niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
4. De beroepsprocedure met zaaknummer UTR 24/4544 gaat over het beroep van eiser 1 en eiser 2 gericht tegen het bestreden besluit II waarbij het bezwaar van eiser 1 en eiser 2 niet-ontvankelijk is verklaard omdat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.
5. Hierna zal de rechtbank onder 6 eerst ingaan op de vraag of eiser 2 ontvankelijk is in zijn beroep in de beroepsprocedure met zaaknummer UTR 23/6472.
UTR 23/6472: de ontvankelijkheid van eiser 2
6. De rechtbank stelt vast dat eiser 2 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit 1. Het beroep van eiser 2 tegen het bestreden besluit I is daarom niet-ontvankelijk.
UTR 23/6472: het beroep van eiser 1 en UTR 24/4544: het beroep van eisers
7. Hierna wordt in de beroepsprocedure UTR 23/6472 het beroep van eiser 1 tegen het inhoudelijke besluit van 6 december 2023 (het bestreden besluit I) behandeld en het beroep van eisers in de beroepsprocedure UTR 24/4544. De rechtbank moet daarvoor de vraag beantwoorden of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Daarna gaat de rechtbank in op het beroep van eiser 1 tegen het niet tijdig nemen van besluit.
Het toetsingskader
8. Een belanghebbende is iemand wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” is in de rechtspraak aangenomen als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
Zijn eisers belanghebbenden?
9. Eisers hebben op de zitting toegelicht welke gevolgen van enige betekenis zij vrezen te ondervinden als gevolg van het niet classificeren en etiketteren van botox als een gevaarlijke stof. Zij vrezen voor risico’s op brand, verspreiding van botox via de lucht (inademing van botox en contact met botox) en gevolgen voor de veiligheid van personen en milieu. Dit zijn verschillende gevolgen voor de leefomgeving. Indien sprake zou zijn van een gevaarlijke stof, dan zijn dit gevolgen van enige betekenis. Het is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende aannemelijk dat die gevolgen zich zullen voordoen omdat uit de stukken die eisers hebben overgelegd niet blijkt dat botox een gevaarlijke stof is, terwijl uit de risicoanalyse van de Omgevingsdienst Regio Utrecht van 30 maart 2023 juist volgt dat botox geen gevaarlijke stof is. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van 15 mei 2024, waarin de rechtbank tot hetzelfde oordeel is gekomen. Eisers zijn geen belanghebbenden, omdat niet aannemelijk is geworden dat zij gevolgen van enige betekenis ondervinden.
UTR 23/6472: het beroep van eiser 1 tegen het niet tijdig beslissen
10. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiser 1 tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk, omdat een beslissing is genomen op het bezwaar van eiser 1. Eiser 1 heeft dus geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
11. Het beroep van eiser 2 in de beroepsprocedure UTR 23/6472 is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser 1 in de beroepsprocedure UTR 23/6472 is ongegrond. Het beroep van eiser 1 in de beroepsprocedure UTR 23/6472 tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Eiser 1 heeft wel recht op vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Verweerder heeft namelijk niet tijdig op het bezwaar beslist. Eiser 1 krijgt daarom in deze beroepsprocedure het griffierecht terug. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
12. Het beroep van eisers in de beroepsprocedure UTR 24/4544 is ongegrond.
Dat betekent dat eisers terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eisers krijgen daarom in deze beroepsprocedure het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank
In het beroep met zaaknummer 23/6472
- verklaart het beroep van eiser 1 tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser 1 tegen de beslissing op bezwaar van 6 december 2023 ongegrond;
- verklaart het beroep van eiser 2 tegen de beslissing op bezwaar van 6 december 2023 niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser 1 te vergoeden.
In het beroep met zaaknummer 24/4544
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, mr. R.C. Stijnen, en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1986.
ECLI:NL:RBMNE:2024:3308.