Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:3455
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,454 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3092 en UTR 24/3096
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (het college), verweerder,
(gemachtigde: S. Klanderman)
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] , [derde belanghebbende 2] , [derde belanghebbende 3] (de omwonenden)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de opgelegde last onder dwangsom wegens drie geconstateerde overtredingen op het perceel aan de [adres] in [plaats] (het adres) en het beroep van eiser tegen de invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van een bouwstop.De besluiten waar het in deze zaak over gaat
Het college heeft aan eiser met een besluit van 24 mei 2018 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een afdak aan een bestaande schuur op het adres (de veranda). Tijdens een controle op het adres heeft de toezichthouder geconstateerd dat de bestaande schuur en veranda zijn uitgebreid in strijd met de verleende omgevingsvergunning. De toezichthouder heeft daarnaast geconstateerd dat op het perceel een schuur in aanbouw is en dat er een drijvend huisje ligt aangemeerd.
Het college heeft vervolgens meerdere handhavingsverzoeken ontvangen. Het college heeft eiser verzocht de bestaande berging (onder de veranda) aan te passen volgens de verleende omgevingsvergunning van 24 mei 2018, de nieuwe schuur af te breken en het drijvend huisje weg te halen. Nadien hebben meerdere controles op het adres plaatsgevonden, waarbij geconstateerd is dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan voornoemde verzoeken. Eiser was bovendien bezig om de zijkanten van de veranda dicht te maken. Op 20 juni 2023 heeft het college ten aanzien daarvan aan eiser een bouwstop opgelegd. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Met het besluit dat op 6 juli 2023 is verzonden, heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit 1). Aan eiser is opgedragen om uiterlijk 1 oktober 2023 de bestaande berging onder de veranda aan te passen en de beide wanden van de veranda te verwijderen zodat deze in overeenstemming zijn met de verleende omgevingsvergunning van 24 mei 2018. Ook dient eiser de nieuwe schuur af te breken en het drijvend huisje weg te halen.
Op 23 juni 2023 heeft een controle plaatsgevonden en is geconstateerd dat eiser verder is gegaan met het aftimmeren en dichtmaken van de zijkanten van de veranda in strijd met de op 20 juni 2023 opgelegde bouwstop. Het college is met het besluit van 8 augustus 2023 overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom wegens het overtreden van de opgelegde bouwstop (het primaire besluit 2).
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
Met twee beslissingen op bezwaar van 19 maart 2024 is het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom (het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering en is ook het bezwaar tegen de invordering van de dwangsom (het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De zaak met zaaknummer UTR 24/3092 is gericht tegen het bestreden besluit 1 en gaat over de last onder dwangsom met betrekking tot de uitbreiding van de berging in afwijking van de verleende vergunning, het zonder vergunning bouwen van een nieuwe schuur en het zonder vergunning aanmeren van het drijvend huisje. De zaak met zaaknummer UTR 24/3096 is gericht tegen het bestreden besluit 2 en gaat over de invordering van de dwangsom wegens het overtreden van de bouwstop. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij [derde belanghebbende 3] heeft zienswijzen ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en derde-partij [derde belanghebbende 3] .
Zoals besproken op de zitting is het college vervolgens in de gelegenheid gesteld om een nadere schriftelijk toelichting te geven over de overtreding ten aanzien van de uitbreiding van de bestaande berging. Dit omdat eiser op de zitting voor het eerst heeft aangevoerd dat de uitbreiding van de bestaande berging vergunningvrij is. De rechtbank heeft deze toelichting van het college ontvangen en eiser heeft gelegenheid gekregen hier schriftelijk op te reageren. Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 14 februari 2025 het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of het college terecht aan eiser een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens drie geconstateerde overtredingen op het adres en of het college terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van de bouwstop. Volgens de rechtbank is dit het geval. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal dit doen aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Het bestreden besluit 1 (24/3092) – last onder dwangsom Toetsingskader
Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de last onder dwangsom voor die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
12. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Dit verbod geldt ook voor het handelen in afwijking van een verleende vergunning.
13. Op het adres is het bestemmingsplan “Kom Vinkeveen’’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op het perceel geldt de bestemming: Enkelbestemming Gemengd-1. Blijkens artikel 8.1 van het bestemmingsplan zijn de voor Gemengd-1 aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, bedrijfsactiviteiten en wonen. Volgens artikel 8.2.2 van de planregels zijn bijgebouwen bij een hoofdgebouw toegestaan, waarbij de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bepaald wordt door de perceeloppervlakte. Op de plek van het drijvend huisje geldt de bestemming water.
14. In artikel 2 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn een aantal specifieke activiteiten aangewezen waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo. Dergelijke activiteiten zijn dus vergunningvrij. Zo volgt uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor dat geen vergunning is vereist voor het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als die activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied en aan een aantal aanvullende eisen wordt voldaan.
14. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt in geval van een overtreding een beginselplicht tot handhaving. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden mag het college van handhaving afzien. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat.
Beoordeling
24. Volgens eiser ligt het drijvend huisje al geruime tijd weer in de inham en in eigen water, zodat er geen overtreding is. Men kan er ook weer prima langsvaren, zodat niemand er last van heeft, zo voert eiser aan.
24. Volgens het college is het drijvend huisje een bouwwerk en ligt het in strijd met het bestemmingsplan aangemeerd. Dit geldt zowel voor de inham als het water achter het perceel.
24. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat woonboten bouwwerken kunnen zijn in de zin van de Wabo. Hierbij is het doorslaggevend of de woonboot is bedoeld om ter plaatse te functioneren. Het college heeft toegelicht dat om dezelfde redenen ook het drijvend huisje als bouwwerk moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het college meegewogen dat uit de controle rapporten die het college heeft overgelegd blijkt dat het drijvend huisje gedurende langere tijd op dezelfde plaats is aangemeerd. Het drijvend huisje wordt gezien als bedoeld om ter plaatse te functioneren. De rechtbank kan dit volgen, en oordeelt dat het college het drijvend huisje terecht heeft aangemerkt als bouwwerk. De rechtbank kan ook volgen dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, nu ter plaatse van het drijvend huisje de bestemming ‘Water’ geldt en het gebruik van het drijvend huisje niet overeenstemt met het voor die gronden in artikel 20.2.1 van het bestemmingsplan beschreven gebruik. Ook voor het drijvend huisje was dus een omgevingsvergunning vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook ten aanzien van het drijvend huisje terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding van het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en in strijd met het bestemmingsplan te handelen.
27. De rechtbank overweegt voorts dat ook ten aanzien van het drijvend huisje geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd om het drijvend huisje te mogen aanmeren. Daarbij komt dat het college heeft aangegeven ook niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning te verstrekken, omdat hij wil dat er een vrije zichtlijn is over de sloten.
28. Er zijn ook overigens geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan het college in dit geval van handhaving had moeten afzien. Voor zover eiser met zijn standpunt, dat niemand last heeft van het drijvend huisje en iedereen er langs kan varen, een beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft willen doen, slaagt dat niet. Het college heeft in dat verband onder meer overwogen dat de belangen van verzoekers tot handhaving vooral zien op het waarborgen van een fijne leefomgeving, en dat er meermaals overlast is ervaren vanwege verblijf in het drijvend huisje. Daar staat tegenover het belang dat eiser heeft bij het gebruik van het drijvend huisje. Het college heeft daarbij ook oog gehad voor de financiële consequenties die het verwijderen en afbreken van het drijvend huisje mogelijk voor eiser zou kunnen hebben. Het college heeft in dat kader van belang geacht dat eiser meermaals is gewezen op de toepasselijke regels, maar dat eiser desondanks verder is gegaan met het plaatsen van nieuwe bouwwerken. Tegen die achtergrond heeft het college geconcludeerd dat het belang van eiser niet opweegt tegen het belang van de verzoekers tot handhaving en het algemeen belang van handhaving van de regels uit het bestemmingsplan. De rechtbank kan dit volgen.
29. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een overtreding omdat het drijvend huisje zonder omgevingsvergunning ligt aangemeerd, en dat het college hiertegen handhavend mocht optreden. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Het bestreden besluit 2 (24/3096) – invordering dwangsom Toetsingskader
29. Ook hier stelt de rechtbank bij haar beoordeling voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor de last onder dwangsom waar de invordering op ziet voor die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.Beoordeling van de beroepsgronden van eiser tegen de invordering van de dwangsom
31. Volgens eiser is hij geen dwangsom verschuldigd, omdat het slechts gaat om de plaatsing van vergunningvrije privacy schermen aan de zijkanten van de veranda.
31. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling in een procedure tegen een invorderingsbeschikking slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden opgekomen tegen de onderliggende dwangsombeschikking, namelijk als overduidelijk geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 20 juni 2023 aan eiser een bouwstop is opgelegd. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. Tijdens de controle op 26 juni 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat eiser verder heeft gebouwd. Eiser heeft dit ook niet betwist. Eiser voert aan dat de zijkanten van de veranda vergunningvrij zijn. Zoals hierboven onder punt 23 is geoordeeld, is dat onjuist. Zelfs als dat anders zou zijn, neemt dat niet weg dat op 20 juni 2023 een bouwstop is opgelegd en dat eiser deze bouwstop heeft overtreden. Het college mocht daarom tot invordering overgaan, omdat in dit geval niet is gebleken dat overduidelijk geen overtreding gepleegd is of eiser niet de overtreder was. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
33. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college terecht aan eiser een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens drie geconstateerde overtredingen op het adres en dat het college terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van de bouwstop die op 20 juni 2023 is opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 93.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4962.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2306.
De rechtbank verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2014:3977.
Artikel 1 van Bijlage II bij het Bor.
Zie ook de nota van toelichting bij het Bor, stb. 2010, 143, p.133. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, RVS:2018:963.
Artikel 1 van Bijlage II bij het Bor.
Artikel 1.13 van het bestemmingsplan.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331.
Zie onder meer de rapporten van 17 januari 2023, 8 maart 2023, 14 april 2023, 10 mei 2023, 19 mei 2023 en 26 mei 2023.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4031.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3092 en UTR 24/3096
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (het college), verweerder,
(gemachtigde: S. Klanderman)
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] , [derde belanghebbende 2] , [derde belanghebbende 3] (de omwonenden)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de opgelegde last onder dwangsom wegens drie geconstateerde overtredingen op het perceel aan de [adres] in [plaats] (het adres) en het beroep van eiser tegen de invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van een bouwstop.De besluiten waar het in deze zaak over gaat
Het college heeft aan eiser met een besluit van 24 mei 2018 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een afdak aan een bestaande schuur op het adres (de veranda). Tijdens een controle op het adres heeft de toezichthouder geconstateerd dat de bestaande schuur en veranda zijn uitgebreid in strijd met de verleende omgevingsvergunning. De toezichthouder heeft daarnaast geconstateerd dat op het perceel een schuur in aanbouw is en dat er een drijvend huisje ligt aangemeerd.
Het college heeft vervolgens meerdere handhavingsverzoeken ontvangen. Het college heeft eiser verzocht de bestaande berging (onder de veranda) aan te passen volgens de verleende omgevingsvergunning van 24 mei 2018, de nieuwe schuur af te breken en het drijvend huisje weg te halen. Nadien hebben meerdere controles op het adres plaatsgevonden, waarbij geconstateerd is dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan voornoemde verzoeken. Eiser was bovendien bezig om de zijkanten van de veranda dicht te maken. Op 20 juni 2023 heeft het college ten aanzien daarvan aan eiser een bouwstop opgelegd. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Met het besluit dat op 6 juli 2023 is verzonden, heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit 1). Aan eiser is opgedragen om uiterlijk 1 oktober 2023 de bestaande berging onder de veranda aan te passen en de beide wanden van de veranda te verwijderen zodat deze in overeenstemming zijn met de verleende omgevingsvergunning van 24 mei 2018. Ook dient eiser de nieuwe schuur af te breken en het drijvend huisje weg te halen.
Op 23 juni 2023 heeft een controle plaatsgevonden en is geconstateerd dat eiser verder is gegaan met het aftimmeren en dichtmaken van de zijkanten van de veranda in strijd met de op 20 juni 2023 opgelegde bouwstop. Het college is met het besluit van 8 augustus 2023 overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom wegens het overtreden van de opgelegde bouwstop (het primaire besluit 2).
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
Met twee beslissingen op bezwaar van 19 maart 2024 is het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom (het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering en is ook het bezwaar tegen de invordering van de dwangsom (het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De zaak met zaaknummer UTR 24/3092 is gericht tegen het bestreden besluit 1 en gaat over de last onder dwangsom met betrekking tot de uitbreiding van de berging in afwijking van de verleende vergunning, het zonder vergunning bouwen van een nieuwe schuur en het zonder vergunning aanmeren van het drijvend huisje. De zaak met zaaknummer UTR 24/3096 is gericht tegen het bestreden besluit 2 en gaat over de invordering van de dwangsom wegens het overtreden van de bouwstop. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij [derde belanghebbende 3] heeft zienswijzen ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en derde-partij [derde belanghebbende 3] .
Zoals besproken op de zitting is het college vervolgens in de gelegenheid gesteld om een nadere schriftelijk toelichting te geven over de overtreding ten aanzien van de uitbreiding van de bestaande berging. Dit omdat eiser op de zitting voor het eerst heeft aangevoerd dat de uitbreiding van de bestaande berging vergunningvrij is. De rechtbank heeft deze toelichting van het college ontvangen en eiser heeft gelegenheid gekregen hier schriftelijk op te reageren. Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 14 februari 2025 het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of het college terecht aan eiser een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens drie geconstateerde overtredingen op het adres en of het college terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van de bouwstop. Volgens de rechtbank is dit het geval. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal dit doen aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Het bestreden besluit 1 (24/3092) – last onder dwangsom Toetsingskader
Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de last onder dwangsom voor die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
12. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Dit verbod geldt ook voor het handelen in afwijking van een verleende vergunning.
13. Op het adres is het bestemmingsplan “Kom Vinkeveen’’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op het perceel geldt de bestemming: Enkelbestemming Gemengd-1. Blijkens artikel 8.1 van het bestemmingsplan zijn de voor Gemengd-1 aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, bedrijfsactiviteiten en wonen. Volgens artikel 8.2.2 van de planregels zijn bijgebouwen bij een hoofdgebouw toegestaan, waarbij de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bepaald wordt door de perceeloppervlakte. Op de plek van het drijvend huisje geldt de bestemming water.
14. In artikel 2 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn een aantal specifieke activiteiten aangewezen waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo. Dergelijke activiteiten zijn dus vergunningvrij. Zo volgt uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor dat geen vergunning is vereist voor het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als die activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied en aan een aantal aanvullende eisen wordt voldaan.
14. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt in geval van een overtreding een beginselplicht tot handhaving. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden mag het college van handhaving afzien. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat.
Beoordeling
24. Volgens eiser ligt het drijvend huisje al geruime tijd weer in de inham en in eigen water, zodat er geen overtreding is. Men kan er ook weer prima langsvaren, zodat niemand er last van heeft, zo voert eiser aan.
24. Volgens het college is het drijvend huisje een bouwwerk en ligt het in strijd met het bestemmingsplan aangemeerd. Dit geldt zowel voor de inham als het water achter het perceel.
24. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat woonboten bouwwerken kunnen zijn in de zin van de Wabo. Hierbij is het doorslaggevend of de woonboot is bedoeld om ter plaatse te functioneren. Het college heeft toegelicht dat om dezelfde redenen ook het drijvend huisje als bouwwerk moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het college meegewogen dat uit de controle rapporten die het college heeft overgelegd blijkt dat het drijvend huisje gedurende langere tijd op dezelfde plaats is aangemeerd. Het drijvend huisje wordt gezien als bedoeld om ter plaatse te functioneren. De rechtbank kan dit volgen, en oordeelt dat het college het drijvend huisje terecht heeft aangemerkt als bouwwerk. De rechtbank kan ook volgen dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, nu ter plaatse van het drijvend huisje de bestemming ‘Water’ geldt en het gebruik van het drijvend huisje niet overeenstemt met het voor die gronden in artikel 20.2.1 van het bestemmingsplan beschreven gebruik. Ook voor het drijvend huisje was dus een omgevingsvergunning vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook ten aanzien van het drijvend huisje terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding van het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en in strijd met het bestemmingsplan te handelen.
27. De rechtbank overweegt voorts dat ook ten aanzien van het drijvend huisje geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd om het drijvend huisje te mogen aanmeren. Daarbij komt dat het college heeft aangegeven ook niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning te verstrekken, omdat hij wil dat er een vrije zichtlijn is over de sloten.
28. Er zijn ook overigens geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan het college in dit geval van handhaving had moeten afzien. Voor zover eiser met zijn standpunt, dat niemand last heeft van het drijvend huisje en iedereen er langs kan varen, een beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft willen doen, slaagt dat niet. Het college heeft in dat verband onder meer overwogen dat de belangen van verzoekers tot handhaving vooral zien op het waarborgen van een fijne leefomgeving, en dat er meermaals overlast is ervaren vanwege verblijf in het drijvend huisje. Daar staat tegenover het belang dat eiser heeft bij het gebruik van het drijvend huisje. Het college heeft daarbij ook oog gehad voor de financiële consequenties die het verwijderen en afbreken van het drijvend huisje mogelijk voor eiser zou kunnen hebben. Het college heeft in dat kader van belang geacht dat eiser meermaals is gewezen op de toepasselijke regels, maar dat eiser desondanks verder is gegaan met het plaatsen van nieuwe bouwwerken. Tegen die achtergrond heeft het college geconcludeerd dat het belang van eiser niet opweegt tegen het belang van de verzoekers tot handhaving en het algemeen belang van handhaving van de regels uit het bestemmingsplan. De rechtbank kan dit volgen.
29. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een overtreding omdat het drijvend huisje zonder omgevingsvergunning ligt aangemeerd, en dat het college hiertegen handhavend mocht optreden. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Het bestreden besluit 2 (24/3096) – invordering dwangsom Toetsingskader
29. Ook hier stelt de rechtbank bij haar beoordeling voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor de last onder dwangsom waar de invordering op ziet voor die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.Beoordeling van de beroepsgronden van eiser tegen de invordering van de dwangsom
31. Volgens eiser is hij geen dwangsom verschuldigd, omdat het slechts gaat om de plaatsing van vergunningvrije privacy schermen aan de zijkanten van de veranda.
31. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling in een procedure tegen een invorderingsbeschikking slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden opgekomen tegen de onderliggende dwangsombeschikking, namelijk als overduidelijk geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 20 juni 2023 aan eiser een bouwstop is opgelegd. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. Tijdens de controle op 26 juni 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat eiser verder heeft gebouwd. Eiser heeft dit ook niet betwist. Eiser voert aan dat de zijkanten van de veranda vergunningvrij zijn. Zoals hierboven onder punt 23 is geoordeeld, is dat onjuist. Zelfs als dat anders zou zijn, neemt dat niet weg dat op 20 juni 2023 een bouwstop is opgelegd en dat eiser deze bouwstop heeft overtreden. Het college mocht daarom tot invordering overgaan, omdat in dit geval niet is gebleken dat overduidelijk geen overtreding gepleegd is of eiser niet de overtreder was. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
33. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college terecht aan eiser een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens drie geconstateerde overtredingen op het adres en dat het college terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- wegens het overtreden van de bouwstop die op 20 juni 2023 is opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 93.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4962.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2306.
De rechtbank verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2014:3977.
Artikel 1 van Bijlage II bij het Bor.
Zie ook de nota van toelichting bij het Bor, stb. 2010, 143, p.133. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, RVS:2018:963.
Artikel 1 van Bijlage II bij het Bor.
Artikel 1.13 van het bestemmingsplan.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331.
Zie onder meer de rapporten van 17 januari 2023, 8 maart 2023, 14 april 2023, 10 mei 2023, 19 mei 2023 en 26 mei 2023.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4031.
Inleiding
Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.Omvang van het geding
16. Het bestreden besluit 1 bestaat uit drie besluitonderdelen. Volgens het college zijn er drie overtredingen geconstateerd, er is namelijk:1) één meter extra aan de bestaande berging aangebouwd en de zijkanten van de veranda zijn dichtgemaakt, in strijd met de op 24 mei 2018 verleende omgevingsvergunning;2) een nieuwe schuur in april 2021 gebouwd; en3) een drijvend huisje in strijd met het bestemmingsplan aangemeerd.Eiser heeft geen bezwaargronden aangevoerd tegen het tweede onderdeel. Ook in beroep heeft hij hiertegen geen gronden aangevoerd. Dit besluitonderdeel valt daarom buiten de omvang van het geding. De rechtbank gaat in de uitspraak hier daarom niet verder op in.Beoordeling van de beroepsgronden van eiser met betrekking tot de uitbreiding van de berging en veranda
16. Volgens het college is het door eiser dichtmaken van de zijkanten van de veranda aan te merken als het bouwen van een bouwwerk, zodat daarvoor in principe een omgevingsvergunning vereist is. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van de bestaande berging. Ook was volgens het college een vergunning vereist voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Op de gronden van het perceel geldt de bestemming Gemengd-1. Blijkens het bestemmingsplan zijn bij die bestemming alleen bij een hoofdgebouw bijgebouwen toegestaan. Doordat het oorspronkelijke perceel kadastraal gesplitst is (waarbij het deel met de berging aan eiser is verkocht) staat de berging niet meer op hetzelfde kadastrale perceel als het oorspronkelijke hoofdgebouw. De berging kan zelf niet gezien worden als hoofdgebouw, waardoor vergroting van de berging niet mogelijk is, zo stelt het college. Volgens het college moet de berging gezien worden als bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is bepaald dat er maximaal 50 m2 aan bijgebouwen bij het hoofdgebouw van de bestemming ‘Gemengd-1’ mag zijn. Volgens het college is dit maximum met de bestaande bebouwing al ruim overschreden. Daarbij wijst het college erop dat ook na het splitsen van het perceel dezelfde regels van kracht blijven voor het hele bestemmingsvlak behorende bij het oorspronkelijke hoofdgebouw, ook al zijn het nu twee kadastrale percelen. Een ongecontroleerde verdichting van de bijgebouwen in de tweede linie is een ongewenste ontwikkeling, zo stelt het college. Volgens het college is ook geen sprake van vergunningvrije activiteiten, zodat sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
18. Eiser stelt zich op het standpunt hij geen omgevingsvergunning nodig heeft om de zijkanten van de veranda dicht te maken. Dit omdat het slechts gaat om privacy schermen die hij heeft geplaatst. Er is daarom geen sprake van een overtreding, zo stelt eiser. Tijdens de zitting heeft eiser zich verder op het standpunt gesteld dat ook de uitbreiding van de bestaande berging vergunningvrij is en dat daarom ook ten aanzien daarvan geen sprake is van een overtreding. Bovendien is de bestaande berging door de uitbreiding van één meter over de gehele zijde bouwkundig juist beter geworden, zo stelt eiser.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het dichtmaken van de zijkanten van de veranda terecht aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk. Dit omdat de zijkanten van de veranda een constructie zijn van enige omvang die steun vinden op de grond en bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren. Het feit dat het gaat om privacy schermen maakt dat niet anders. Dat betekent dat daarvoor in principe een omgevingsvergunning is vereist. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding van de bestaande berging.
20. Het voorgaande is slechts anders indien het gaat om vergunningvrije activiteiten. Eiser heeft zijn standpunt dat daarvan sprake is, echter niet onderbouwd. Voor zover eiser wil stellen dat de uitbreiding van de berging en het dichtmaken van de veranda moeten worden aangemerkt als het vergunningvrij bouwen van een (uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 2, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Onder “bijbehorend bouwwerk” wordt verstaan een “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”. Deze definitiebepaling brengt mee dat er zonder hoofdgebouw op het perceel ook geen sprake kan zijn van een bijbehorende bouwwerk. De rechtbank is het met het college eens dat de berging zelf niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt. Een hoofdgebouw is namelijk een gebouw “dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel”. Hier is de bestemming “Gemengd-1”. Niet is gebleken dat de berging noodzakelijk is voor de verwezenlijking van (één van) de onder “Gemengd-1” bestemde activiteiten als genoemd in artikel 8.1 van het bestemmingsplan, zoals detailhandel, bedrijfsactiviteiten of wonen. Ook overigens is op het perceel van eiser geen sprake van een hoofdgebouw in de zin van Bijlage II bij het Bor. Van vergunningvrij bouwen van (een uitbreiding van) een bijbehorende bouwwerk kan daarom geen sprake zijn. Eiser had voor het dichtmaken van de veranda en de uitbreiding van de berging dus een omgevingsvergunning nodig.
21. De rechtbank kan het college ook volgen in zijn standpunt dat sprake is van strijd met de regels uit het bestemmingsplan. Artikel 8.2.2 van het bestemmingplan stelt een grens aan het maximale oppervlakte aan bijgebouwen dat op een bouwperceel gebouwd mag worden. Blijkens de begripsbepaling in het bestemmingsplan is een “bijgebouw” een “op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw”. Daaruit volgt dat een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan steeds gekoppeld is aan een hoofdgebouw op het bouwperceel. Zoals hiervoor is overwogen, kan de berging niet als hoofdgebouw worden aangemerkt. Tegen die achtergrond is de rechtbank het met het college eens dat in dit verband moet worden gekeken naar het oppervlakte aan bijgebouwen behorend bij het oorspronkelijk hoofdgebouw, waarbij het niet uitmaakt dat er een kadastrale splitsing van het bouwperceel heeft plaatsgevonden. Volgens het college is de maximale oppervlakte bereikt met de verleende omgevingsvergunning op 24 mei 2018, waardoor de bestaande berging niet verder uitgebreid mag worden. Eiser heeft dit niet weersproken, en de rechtbank heeft ook overigens geen aanleiding om aan juistheid van die vaststelling te twijfelen. Met zowel het uitbreiden van de bestaande berging met één meter over de gehele zijde als het dichtmaken van de veranda, is de maximale oppervlakte aan bijgebouwen (verder) overschreden en is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Ook om die reden was voor het dichtmaken van de veranda en de uitbreiding van de berging dus een omgevingsvergunning vereist. Omdat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken, heeft het college terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding.
22. Zoals de rechtbank onder punt 15 heeft weergegeven, geldt bij een overtreding in beginsel de plicht tot handhaving, tenzij concreet zicht is op legalisatie of handhaving onevenredig is. De rechtbank overweegt allereerst dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd om de veranda met één meter over de zijde uit te breiden of de zijkanten van de veranda dicht te maken. Daar komt bij dat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning te verstrekken, omdat een ongecontroleerde verdichting van de bijgebouwen in de tweede linie een ongewenste ontwikkeling is.
Inleiding
Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.Omvang van het geding
16. Het bestreden besluit 1 bestaat uit drie besluitonderdelen. Volgens het college zijn er drie overtredingen geconstateerd, er is namelijk:1) één meter extra aan de bestaande berging aangebouwd en de zijkanten van de veranda zijn dichtgemaakt, in strijd met de op 24 mei 2018 verleende omgevingsvergunning;2) een nieuwe schuur in april 2021 gebouwd; en3) een drijvend huisje in strijd met het bestemmingsplan aangemeerd.Eiser heeft geen bezwaargronden aangevoerd tegen het tweede onderdeel. Ook in beroep heeft hij hiertegen geen gronden aangevoerd. Dit besluitonderdeel valt daarom buiten de omvang van het geding. De rechtbank gaat in de uitspraak hier daarom niet verder op in.Beoordeling van de beroepsgronden van eiser met betrekking tot de uitbreiding van de berging en veranda
16. Volgens het college is het door eiser dichtmaken van de zijkanten van de veranda aan te merken als het bouwen van een bouwwerk, zodat daarvoor in principe een omgevingsvergunning vereist is. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van de bestaande berging. Ook was volgens het college een vergunning vereist voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Op de gronden van het perceel geldt de bestemming Gemengd-1. Blijkens het bestemmingsplan zijn bij die bestemming alleen bij een hoofdgebouw bijgebouwen toegestaan. Doordat het oorspronkelijke perceel kadastraal gesplitst is (waarbij het deel met de berging aan eiser is verkocht) staat de berging niet meer op hetzelfde kadastrale perceel als het oorspronkelijke hoofdgebouw. De berging kan zelf niet gezien worden als hoofdgebouw, waardoor vergroting van de berging niet mogelijk is, zo stelt het college. Volgens het college moet de berging gezien worden als bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is bepaald dat er maximaal 50 m2 aan bijgebouwen bij het hoofdgebouw van de bestemming ‘Gemengd-1’ mag zijn. Volgens het college is dit maximum met de bestaande bebouwing al ruim overschreden. Daarbij wijst het college erop dat ook na het splitsen van het perceel dezelfde regels van kracht blijven voor het hele bestemmingsvlak behorende bij het oorspronkelijke hoofdgebouw, ook al zijn het nu twee kadastrale percelen. Een ongecontroleerde verdichting van de bijgebouwen in de tweede linie is een ongewenste ontwikkeling, zo stelt het college. Volgens het college is ook geen sprake van vergunningvrije activiteiten, zodat sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
18. Eiser stelt zich op het standpunt hij geen omgevingsvergunning nodig heeft om de zijkanten van de veranda dicht te maken. Dit omdat het slechts gaat om privacy schermen die hij heeft geplaatst. Er is daarom geen sprake van een overtreding, zo stelt eiser. Tijdens de zitting heeft eiser zich verder op het standpunt gesteld dat ook de uitbreiding van de bestaande berging vergunningvrij is en dat daarom ook ten aanzien daarvan geen sprake is van een overtreding. Bovendien is de bestaande berging door de uitbreiding van één meter over de gehele zijde bouwkundig juist beter geworden, zo stelt eiser.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het dichtmaken van de zijkanten van de veranda terecht aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk. Dit omdat de zijkanten van de veranda een constructie zijn van enige omvang die steun vinden op de grond en bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren. Het feit dat het gaat om privacy schermen maakt dat niet anders. Dat betekent dat daarvoor in principe een omgevingsvergunning is vereist. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding van de bestaande berging.
20. Het voorgaande is slechts anders indien het gaat om vergunningvrije activiteiten. Eiser heeft zijn standpunt dat daarvan sprake is, echter niet onderbouwd. Voor zover eiser wil stellen dat de uitbreiding van de berging en het dichtmaken van de veranda moeten worden aangemerkt als het vergunningvrij bouwen van een (uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 2, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Onder “bijbehorend bouwwerk” wordt verstaan een “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”. Deze definitiebepaling brengt mee dat er zonder hoofdgebouw op het perceel ook geen sprake kan zijn van een bijbehorende bouwwerk. De rechtbank is het met het college eens dat de berging zelf niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt. Een hoofdgebouw is namelijk een gebouw “dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel”. Hier is de bestemming “Gemengd-1”. Niet is gebleken dat de berging noodzakelijk is voor de verwezenlijking van (één van) de onder “Gemengd-1” bestemde activiteiten als genoemd in artikel 8.1 van het bestemmingsplan, zoals detailhandel, bedrijfsactiviteiten of wonen. Ook overigens is op het perceel van eiser geen sprake van een hoofdgebouw in de zin van Bijlage II bij het Bor. Van vergunningvrij bouwen van (een uitbreiding van) een bijbehorende bouwwerk kan daarom geen sprake zijn. Eiser had voor het dichtmaken van de veranda en de uitbreiding van de berging dus een omgevingsvergunning nodig.
21. De rechtbank kan het college ook volgen in zijn standpunt dat sprake is van strijd met de regels uit het bestemmingsplan. Artikel 8.2.2 van het bestemmingplan stelt een grens aan het maximale oppervlakte aan bijgebouwen dat op een bouwperceel gebouwd mag worden. Blijkens de begripsbepaling in het bestemmingsplan is een “bijgebouw” een “op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw”. Daaruit volgt dat een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan steeds gekoppeld is aan een hoofdgebouw op het bouwperceel. Zoals hiervoor is overwogen, kan de berging niet als hoofdgebouw worden aangemerkt. Tegen die achtergrond is de rechtbank het met het college eens dat in dit verband moet worden gekeken naar het oppervlakte aan bijgebouwen behorend bij het oorspronkelijk hoofdgebouw, waarbij het niet uitmaakt dat er een kadastrale splitsing van het bouwperceel heeft plaatsgevonden. Volgens het college is de maximale oppervlakte bereikt met de verleende omgevingsvergunning op 24 mei 2018, waardoor de bestaande berging niet verder uitgebreid mag worden. Eiser heeft dit niet weersproken, en de rechtbank heeft ook overigens geen aanleiding om aan juistheid van die vaststelling te twijfelen. Met zowel het uitbreiden van de bestaande berging met één meter over de gehele zijde als het dichtmaken van de veranda, is de maximale oppervlakte aan bijgebouwen (verder) overschreden en is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Ook om die reden was voor het dichtmaken van de veranda en de uitbreiding van de berging dus een omgevingsvergunning vereist. Omdat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken, heeft het college terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding.
22. Zoals de rechtbank onder punt 15 heeft weergegeven, geldt bij een overtreding in beginsel de plicht tot handhaving, tenzij concreet zicht is op legalisatie of handhaving onevenredig is. De rechtbank overweegt allereerst dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd om de veranda met één meter over de zijde uit te breiden of de zijkanten van de veranda dicht te maken. Daar komt bij dat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning te verstrekken, omdat een ongecontroleerde verdichting van de bijgebouwen in de tweede linie een ongewenste ontwikkeling is.