Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:3397
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,456 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8043
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en gevraagd om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet herstel toeslagen (Wht).
Dienst Toeslagen heeft vervolgens een zogeheten ‘lichte toets’ uitgevoerd. Bij die toets is gekeken of eiseres als gedupeerde kan worden aangemerkt en – daardoor – in aanmerking komt voor het compensatiebedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling. Bij besluit van 1 mei 2021 heeft Dienst Toeslagen naar aanleiding van deze lichte toets vastgesteld dat eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dat zij dus geen compensatie krijgt.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Op 15 augustus 2024 heeft Dienst Toeslagen een besluit genomen naar aanleiding van de ‘integrale herbeoordeling’, die na de lichte toets volgt. Daarbij heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is en ook niet in aanmerking komt voor compensatie.Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 1 mei 2021 is door Dienst Toeslagen ongegrond verklaard bij besluit van 30 oktober 2024 (het bestreden besluit). Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarover gaat deze uitspraak.
Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend in deze procedure.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij haar beroep. Voldoende procesbelang wordt aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat feitelijke betekenis heeft. Dat is in deze zaak niet het geval.
In deze procedure gaat het over het besluit van de lichte toets, terwijl er ondertussen een integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Bij die integrale beoordeling is opnieuw gekeken naar de kinderopvangtoeslag die eiseres heeft gekregen. Met die integrale beoordeling is een volledige en grondigere beoordeling van het recht op compensatie verricht. Daarbij is ook heroverwogen of de lichte toets anders had moeten uitpakken en of eiseres toch wel recht had op compensatie uit de Catshuisregeling. Als dat zo zou zijn geweest, dan zou Dienst Toeslagen bij de integrale beoordeling die compensatie alsnog uitkeren, met wettelijke rente over de periode dat eiseres de compensatie heeft moeten missen, omdat eerder bij de lichte toets een foute beoordeling is gemaakt. De integrale beoordeling haalt dus echt de beoordeling van de lichte toets in. Dienst Toeslagen komt in het geval van eiseres bij de integrale beoordeling, net als bij de lichte toets, tot de conclusie dat zij geen recht heeft op compensatie.
Omdat Dienst Toeslagen inmiddels een integrale beoordeling heeft uitgevoerd, kan eiseres met dit beroep niet meer bereiken dat zij alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt. Ongeacht de uitkomst van deze procedure blijft immers staan dat eiseres op grond van de integrale beoordeling volgens Dienst Toeslagen geen gedupeerde is en dus geen aanspraak maakt op compensatie op grond van de Wht. Eiseres zal alleen met rechtsmiddelen tegen het besluit over de integrale beoordeling (eventueel) kunnen bereiken dat zij alsnog wordt aangemerkt als gedupeerde en daar aanvoeren dat zij vindt dat er fouten zijn gemaakt. Het feit dat eiseres duidelijkheid wil, is begrijpelijk, maar is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
Conclusie
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, omdat er al geen procesbelang meer was op het moment dat eiseres het beroep instelde.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.