Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:3395
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
718 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2174
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de oplegging van een Lichte Educatieve maatregel Alcohol en verkeer.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het CBR heeft met het besluit van 9 december 2024 aan verzoeker de Lichte Educatieve maatregel Alcohol en verkeer opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 10 april 2025 heeft het CBR het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Bij brief van 15 april 2025 is verzoeker in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen dit besluit.
Beoordeling
5. Alleen als tegen een besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 10 april 2025, waardoor dit niet het geval is. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
6. De voorzieningenrechter heeft bovendien vastgesteld dat verzoeker geen griffierecht heeft betaald en ook niet om vrijstelling heeft verzocht. Het verzoek om voorlopige voorziening kan ook om die reden niet inhoudelijk worden beoordeeld.
Conclusie
Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.