Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-30
ECLI:NL:RBMNE:2025:3393
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
951 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/838 en UTR 25/840
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , verblijvend in [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. J. Broeze).
Inleiding
Eiser heeft op 23 augustus 2023 verzoeken ingediend bij het college op grond van de Wet open overheid (Woo). Deze verzoeken zien op openbaarmaking van informatie over vergunningen rond de renovatie van het Park Plaza Hotel in Utrecht en om uiteenlopende informatie over diverse andere hotels.
Op 29 oktober 2023 heeft eiser beroepen ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op deze verzoeken. Op 11 en 15 januari 2024 heeft het college alsnog besluiten genomen op de verzoeken van eiser.
Bij uitspraken van 29 juli 2024 (UTR 23/5277) en 13 augustus 2024 (UTR 23/5279) heeft de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college inmiddels had beslist. Onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de beroepen voor zover gericht tegen de besluiten van 11 januari 2024 en 15 januari 2024 aan het college verwezen ter behandeling als bezwaar.
Op 25 januari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de doorgezonden bezwaarschriften.
Het college heeft op 7 april 2025 alsnog besluiten genomen op de bezwaren van eiser.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan.
De rechtbank stelt vast dat het college na het instellen van de beroepen alsnog besluiten heeft genomen. Eiser heeft dus geen procesbelang meer bij een uitspraak op zijn beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat is bereikt wat hij met zijn beroepen wilde bereiken. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb hebben de beroepen mede betrekking op de alsnog genomen besluiten. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser al afzonderlijk beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van 7 april 2025. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers UTR 25/2694 en UTR 25/2695. De rechtbank zet de inhoudelijke behandeling voort onder die nummers.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.