Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-08
ECLI:NL:RBMNE:2025:3271
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,417 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 10467847 \ LC EXPL 23-908
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
1 [eisers sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,3. [eisers sub 3] ,
te [plaats] ,4. [eiser sub 4] ,
en [eiseres sub 4],
te [plaats] ,5. [eisers sub 5] ,
te [plaats] ,6. [eiseres sub 6],
te [plaats] ,7. [eisers sub 7] ,
te [plaats] ,
8. [eisers sub 8] ,
te [plaats] ,9. [eisers sub 9] ,
te [plaats] ,
10. [eisers sub 10] ,
te [plaats] ,
11, [eisers sub 11] ,
te [plaats] ,
12. [eisers sub 12] ,
te [plaats] ,
13. [eiser sub 13] ,
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te Lelystad,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2] B.V., mede handelend onder de namen [handelsnamen] ,
hierna tezamen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde; mr. R. Bosman.
Partijen worden hierna eisers, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd.
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 februari 2024- de akte houdende indiening producties en opgave getuigen aan de zijde ven eisers
- proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2024- de akte overleggen schriftelijke bewijsstukken aan de zijde van [gedaagden]- de akte aan de zijde van eisers van 25 september 2024
- de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van eisers
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen bij tussenvonnis van 28 februari 2024 is overwogen. Dit betekent dat de vordering tegen [gedaagde sub 2] zal worden afgewezen.
2.2.
Bij tussenvonnis van 28 februari 2024 heeft de kantonrechter aan eisers bewijs opgedragen ‘om te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de Stichting [naam] moet worden aangemerkt’. Indien komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de Stichting [naam] moet worden aangemerkt heeft de kantonrechter geoordeeld dat dan komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] eisers heeft misleid ten aanzien van de garantieregeling en de uitkering daarvan, zodat het handelen en nalaten van [gedaagde sub 1] als onrechtmatig jegens eisers dient te worden beschouwd. Het gevolg is dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] dan aansprakelijk acht voor de terugbetaling van de aankooprijs per eiser.
2.3.
Eisers hebben de kantonrechter verzocht de getuigen [getuige 1] en de heer [getuige 2] als getuigen te doen horen. Het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 2 juli 2024. [gedaagde sub 1] heeft afgezien van contra-enquête, maar wel schriftelijke bewijsstukken ingediend, waarna het debat schriftelijk is voortgezet.
2.4.
De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis in rechtsoverweging 4.5 een groot aantal omstandigheden benoemd , die aanleiding hebben gegeven tot het oordeel vervat in rechtsoverweging 4.6: ‘Uit bovengenoemde omstandigheden is af te leiden dat [gedaagde sub 1] op zijn minst een (zeer) belangrijke rol heeft gespeeld bij de oprichting en het realiseren van de garantieregeling bij Stichting [naam] en dat sterke aanwijzingen bestaan dat hij tevens (ook nadien0 als feitelijk beleidsbepaler heeft geopereerd.’
2.5.
In rechtsoverweging 4.8. heeft de kantonrechter verder overwogen dat het wenselijk wordt geacht de getuigen [getuige 2] [getuige 1] , [getuige 3] , allen bestuurslid en/of gewezen bestuurslid van Stichting [naam] , en ex-notaris [getuige 4] te horen. Zowel eisers als [gedaagde sub 1] hebben kennelijk om hen moverende redenen afgezien van met name het horen van de getuige [getuige 3] , die op basis van de stellingen van partijen over en weer een belangrijke rol heeft gespeeld bij de Stichting [naam] en/of [gedaagde sub 1] . Het komt de kantonrechter dan ook onbegrijpelijk voor dat [getuige 3] niet als getuige is gehoord, omdat [getuige 3] in staat moet zijn de positie van [gedaagde sub 1] binnen en buiten Stichting [naam] te verduidelijken, hetzij ten voordele van eisers ( [getuige 3] is een vazal van [gedaagde sub 1] ) hetzij ten voordele van [gedaagde sub 1] ( [getuige 3] is verantwoordelijk voor Stichting [naam] ). De kantonrechter heeft die keuze van partijen in het in deze procedure nog geldende bewijsrecht te respecteren.
2.6.
De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of eisers in het te leveren bewijs zijn geslaagd. De kantonrechter is van oordeel dat eisers niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd.
2.7.
De getuigenverklaring van [getuige 1] voegt niets toe aan de in het tussenvonnis besproken sterke aanwijzingen dat [gedaagde sub 1] heeft geopereerd als feitelijk beleidsbepaler. Immers [getuige 1] verklaart weliswaar dat hij door [gedaagde sub 1] is benaderd om in het bestuur van Stichting [naam] plaats te nemen, maar zegt verder niets over welke rol [gedaagde sub 1] nadien binnen de Stichting [naam] heeft gespeeld. Dit geldt ook voor de rol van de heer [getuige 3] , in zijn hoedanigheid van penningmeester van Stichting [naam] . De verklaring van [getuige 1] komt er kort gezegd op neer dat hij nadat hij zitting had genomen in het bestuur van de Stichting [naam] verder geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij het reilen en zeilen van de Stichting. Over welke handelingen [gedaagde sub 1] , nadat [getuige 1] bestuurder is geworden van De Stichting [naam] , heeft uitgevoerd verklaart [getuige 1] niets.
2.8.
De getuigenverklaring van [getuige 2] is een bevestiging onder ede van zijn eerdere schriftelijke verklaringen en gevoerde correspondentie over de positie van [gedaagde sub 1] . Nieuwe ondersteunende feiten komen in de verklaring van [getuige 2] niet aan het licht. Ook [getuige 2] had volgens zijn verklaring weinig tot geen bemoeienis met de Stichting [naam] . [getuige 2] verklaart dat hij een aantal maal aan [gedaagde sub 1] heeft gevraagd hoe het nou zit met de Stichting [naam] . Uit zijn verklaring valt wel af te leiden dat [gedaagde sub 1] op de hoogte was van het reilen en zeilen van de Stichting en dat [getuige 2] [gedaagde sub 1] ziet als initiatiefnemer, maar ook dat het aan het bestuur zelf is om uitvoering te geven aan het uitbrengen van nieuwsbrieven en halfjaarlijkse rapportages van de Stichting. Vaststaat dat het bestuur daarin tekort is geschoten. Dat [gedaagde sub 1] volgens [getuige 2] (en ook volgens [getuige 1] ) initiatiefnemer is geweest van de Stichting [naam] en betrokken is geweest bij de oprichting van de Stichting [naam] wordt door [gedaagde sub 1] ook niet betwist. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om objectief vast te kunnen stellen dat [gedaagde sub 1] ook ná de oprichting van Stichting [naam] feitelijk ‘bestuurshandelingen’ heeft verricht om als feitelijk beleidsbepaler van de Stichting te kunnen worden aangemerkt. Dat [getuige 2] meent dat de heer [getuige 3] moet worden gezien als vazal van [gedaagde sub 1] berust op veronderstellingen en wordt niet met voldoende concrete feiten ondersteund.
2.9.
De conclusie luidt dan ook dat op grond van de omstandigheden genoemd in het tussenvonnis van 28 februari 2024 onder rechtsoverweging 4.5 in samenhang met de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de Stichting [naam] moet worden aangemerkt. De vorderingen van eisers worden dan ook afgewezen.
2.10.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] worden begroot op €4.765,50 (4,5 punten x € 1.059,00) en aan nakosten € 135,00.
2.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.765,50 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
veroordeelt eisers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.