Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2025:3220
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3260
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: K. Vos).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 juni 2023 (het bestreden besluit).
De heffingsambtenaar heeft op 20 september 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan [partner], partner van eiser, met aanslagnummer [aanslagnummer]. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt dat is ontvangen op 7 oktober 2022.
3. De heffingsambtenaar heeft, met de bestreden uitspraak van 28 juni 2023, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft op 8 juli 2023 beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Overwegingen
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 8 september 2022 om 13:27 stond het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd op Weerdsingel Oostzijde in Utrecht zonder dat parkeerbelasting op aangifte was voldaan. Dat is niet in geschil tussen partijen. Wel in geschil is of dat het niet voldoen aan de betaling te wijten was aan eiser.
6. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag omdat hij geen parkeerbelasting kon betalen omdat de parkeerautomaat aan de Weerdsingel Oostzijde defect was. Eiser heeft geprobeerd de handelingen om te betalen te verrichten en constateerde daarbij dat de automaat niet werkte. Hij heeft, in dat kader, een foto overgelegd van de betreffende parkeerautomaat op het moment van de betaalpoging. Eiser heeft toen besloten naar zijn afspraak te wandelen zodat hij onderweg nog een parkeerautomaat zou tegenkomen. Vervolgens heeft eiser een tweede automaat, aan de Predikherenkerkhof, geprobeerd en constateerde dat deze ook buiten werking was. Van deze automaat heeft eiser geen foto gemaakt. Na constatering van de tweede defecte automaat heeft eiser besloten zijn weg naar zijn afspraak te vervolgen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. Zo neemt de rechtbank in overweging dat de heffingsambtenaar een overzicht heeft overgelegd van de parkeertransacties en eventuele storingen van de betreffende parkeerautomaten en dat daar niet uit blijkt dat er op die dag een storing is geregistreerd aan de door eiser genoemde parkeerautomaten. Dat er ten tijde van de poging om te betalen sprake zou zijn van een storing blijkt ook niet uit de door eiser overgelegde foto’s van de parkeerautomaat. Bovendien had het op de weg van eiser gelegen om te proberen een andere parkeerautomaat te vinden die wel in werking was. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van een parkeerder om ervoor te zorgen dat de verschuldigde parkeerbelasting voor het parkeren op een parkeerplaats tijdig, bij de aanvang van het parkeren en zolang er wordt geparkeerd, wordt voldaan. Een defecte parkeerautomaat is onvoldoende om niet te hoeven betalen. In dat geval is het de verantwoordelijkheid van eiser om de parkeerbelasting op een andere manier te voldoen, bijvoorbeeld door betaling bij een andere parkeerautomaat. Naar het oordeel van de rechtbank komt het voor eisers rekening dat hij niet op een andere manier voor het parkeren betaald heeft.
8. Pas op zitting heeft eiser nog aangevoerd het opvallend te vinden dat uit het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht weinig transacties blijken op de datum in kwestie. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde, nu dit voor de heffingsambtenaar te laat was om een inhoudelijke reactie op dit punt voor te bereiden. Aangezien het verweerschrift al in maart 2024 aan eiser bekend is gemaakt, valt niet in te zien waarom eiser dit niet eerder heeft aangevoerd. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing laten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3177.