Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-25
ECLI:NL:RBMNE:2025:3187
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11478625 \ UC EXPL 25-107
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: E.A.P. van Lith,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2] , v.h.o.d.n. [handelsnaam 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 december 2024 met producties 1 tot en met 3;- de conclusie van antwoord van 20 januari 2025 met bijlage A en B;- de conclusie van repliek van 10 april 2025 met producties 5 tot en met 10.
1.2.
[gedaagde] heeft hierna, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
[handelsnaam 1] wil dat [gedaagde] € 748,20 aan haar betaalt, omdat [gedaagde] volgens haar twee bestellingen heeft gedaan bij de webshop [naam] en [naam] haar vorderingen op [gedaagde] aan [handelsnaam 1] heeft gecedeerd. [gedaagde] wil de facturen niet betalen, omdat hij de aankoop niet herkent en hij volgens hem het slachtoffer is van identiteitsfraude. De kantonrechter zal de vorderingen van [handelsnaam 1] toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
[gedaagde] moet het gevorderde bedrag voor de bestellingen aan [handelsnaam 1] betalen
3.1.
De kantonrechter zal de vordering van [handelsnaam 1] tot betaling van € 748,20 toewijzen, omdat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] slachtoffer is geworden van identiteitsfraude. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op een proces-verbaal van de politie van 3 oktober 2024, waaruit blijkt dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. In de aangifte heeft [gedaagde] het echter over drie bestellingen die in 2014 onterecht op zijn naam zijn geplaatst, terwijl de voor deze zaak relevante bestellingen in januari 2024 zijn geplaatst. Dat die laatste bestellingen tien jaar later door dezelfde identiteitsfraudeur zijn geplaats, zoals [gedaagde] kennelijk stelt, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Bovendien heeft [handelsnaam 1] de afleverbewijzen van PostNL overgelegd, waaruit blijkt dat de bestelde spullen bij het adres van [gedaagde] zijn bezorgd en dat er voor ontvangst daarvan is getekend.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.2.
[handelsnaam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [handelsnaam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 112,23 worden toegewezen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.3.
[handelsnaam 1] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De wettelijke handelsrente tot 29 november 2024 bedraagt € 76,69. Niet ter discussie staat dat de overeenkomst tussen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. [gedaagde] heeft de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente niet gemotiveerd betwist. Het bedrag van € 76,69 zal daarom worden toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf 29 november 2024 zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
[gedaagde] moet in totaal € 937,12 aan [handelsnaam 1] betalen
3.4.
In totaal wordt het volgende bedrag toegewezen:
- hoofdsom
€
748,20
- buitengerechtelijke kosten
€
112,23
- wettelijke rente
€
76,69
Totaal
€
937,12
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,39
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
793,89
Dictum
3.6.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 937,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 748,20, met ingang van 29 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 793,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] , niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11478625 \ UC EXPL 25-107
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: E.A.P. van Lith,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2] , v.h.o.d.n. [handelsnaam 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 december 2024 met producties 1 tot en met 3;- de conclusie van antwoord van 20 januari 2025 met bijlage A en B;- de conclusie van repliek van 10 april 2025 met producties 5 tot en met 10.
1.2.
[gedaagde] heeft hierna, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
[handelsnaam 1] wil dat [gedaagde] € 748,20 aan haar betaalt, omdat [gedaagde] volgens haar twee bestellingen heeft gedaan bij de webshop [naam] en [naam] haar vorderingen op [gedaagde] aan [handelsnaam 1] heeft gecedeerd. [gedaagde] wil de facturen niet betalen, omdat hij de aankoop niet herkent en hij volgens hem het slachtoffer is van identiteitsfraude. De kantonrechter zal de vorderingen van [handelsnaam 1] toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
[gedaagde] moet het gevorderde bedrag voor de bestellingen aan [handelsnaam 1] betalen
3.1.
De kantonrechter zal de vordering van [handelsnaam 1] tot betaling van € 748,20 toewijzen, omdat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] slachtoffer is geworden van identiteitsfraude. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op een proces-verbaal van de politie van 3 oktober 2024, waaruit blijkt dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. In de aangifte heeft [gedaagde] het echter over drie bestellingen die in 2014 onterecht op zijn naam zijn geplaatst, terwijl de voor deze zaak relevante bestellingen in januari 2024 zijn geplaatst. Dat die laatste bestellingen tien jaar later door dezelfde identiteitsfraudeur zijn geplaats, zoals [gedaagde] kennelijk stelt, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Bovendien heeft [handelsnaam 1] de afleverbewijzen van PostNL overgelegd, waaruit blijkt dat de bestelde spullen bij het adres van [gedaagde] zijn bezorgd en dat er voor ontvangst daarvan is getekend.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.2.
[handelsnaam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [handelsnaam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 112,23 worden toegewezen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.3.
[handelsnaam 1] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De wettelijke handelsrente tot 29 november 2024 bedraagt € 76,69. Niet ter discussie staat dat de overeenkomst tussen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. [gedaagde] heeft de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente niet gemotiveerd betwist. Het bedrag van € 76,69 zal daarom worden toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf 29 november 2024 zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
[gedaagde] moet in totaal € 937,12 aan [handelsnaam 1] betalen
3.4.
In totaal wordt het volgende bedrag toegewezen:
- hoofdsom
€
748,20
- buitengerechtelijke kosten
€
112,23
- wettelijke rente
€
76,69
Totaal
€
937,12
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,39
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
793,89
Dictum
3.6.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 937,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 748,20, met ingang van 29 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 793,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] , niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025