Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-02
ECLI:NL:RBMNE:2025:3178
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4871
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
2 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats]
(gemachtigde: mr. E. Chahid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart van eiseres.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft na het bestreden besluit aanvullende medische stukken ontvangen van eiseres en deze voorgelegd aan een arts van [medisch adviesbureau] voor nader medisch advies. Dit medische advies van [medisch adviesbureau] , wat gedurende de beroepsprocedure is opgesteld, heeft niet geleid tot een ander besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 28 mei 2024 op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft het college de aanvraag mogen afwijzen?
4. Eiseres voert aan dat het college haar aanvraag niet had mogen afwijzen, omdat met de door haar overgelegde medische stukken wordt onderbouwd dat zij een loopvermogen heeft van maximaal 100 meter. Ter zitting heeft zij aanvullend aangevoerd dat uit het medische advies van [medisch adviesbureau] niet blijkt dat eiseres ten behoeve van de observatie 100 meter heeft moeten lopen. Ook blijkt daar niet uit dat de overgelegde aanvullende medische stukken zijn gewogen. Met name de vier belangrijkste medische indicaties; te weten een klaplong, suikerziekte en obesitas, kanker en hoge bloeddruk, zijn niet kenbaar gewogen. Daar komt bij dat het voor eiseres als gevolg van deze medische indicaties niet mogelijk is om zich met een rollator over een afstand van 100 meter naar haar auto te begeven, omdat zij niet mag tillen en de rollator dus niet in de auto mag leggen.
5. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op het medisch advies van Argonaut van 5 januari 2024. In dit advies concludeert de beoordelend arts dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, omdat haar loopvermogen niet minder is dan 100 meter. Er weliswaar bij eiseres sprake van een loopbeperking als gevolg van medische problematiek, maar zij wordt in alle redelijkheid in staat geacht om onbelast en met gebruik van een loophulpmiddel meer dan 100 meter aaneengesloten te lopen. De aanwezige loopbeperking is van energetische en locomotorische aard en komt door een verminderde inspanningstolerantie en beperkte belastbaarheid van de rechter knie. Tijdens het spreekuur loopt eiseres bij observatie meer dan 100 meter aaneengesloten zonder ernstige hinder. De arts baseert het ingenomen standpunt op een eigen observatie van het looppatroon en een anamnese.
6. In het medisch advies van [medisch adviesbureau] van 23 augustus 2024 luidt de conclusie van de beoordelend arts, dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres onbelast en met eventuele gebruikelijke voorliggende loophulpmiddelen in redelijkheid, als gevolg van medische problematiek, geen 100 meter of meer kan afleggen. De arts baseert zijn standpunt op het geheel aan medische rapportages betreffende opnames, behandelingen en medebehandelingen ten aanzien van de luchtwegproblematiek tot eind 2024, gericht anamnestisch onderzoek en observatie van het lopen.
7. De rechtbank vindt dat het college zich voor het nemen van het bestreden besluit heeft mogen baseren op het medisch advies van Argonaut en heeft mogen concluderen dat het medisch advies van [medisch adviesbureau] geen aanleiding gaf om dit te herzien. Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van de aanvraag, indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.
De rechtbank stelt vast de eiseres enkel op komt tegen (de bevindingen uit) het rapport van [medisch adviesbureau] en vindt dat wat betreft dat rapport aan deze voorwaarden is voldaan.
7.1
Eiseres heeft de objectiviteit en inzichtelijkheid van de rapportage van [medisch adviesbureau] betwist. De opstellend arts van dat bureau heeft zijn medisch advies gebaseerd op tijdens een spreekuur verricht anamnestisch onderzoek en eiseres geobserveerd tijdens het lopen van 100 meter afstand. Daarnaast heeft de arts zich gebaseerd op het geheel aan medische rapportages betreffende opnames, behandelingen en medebehandelingen ten aanzien van luchtwegproblematiek tot eind februari 2024. Verder blijkt dat uit het dossier en de op zitting gegeven toelichting van het college dat het college de gehele set aan aanvullende medische informatie, die door eiseres na het opstellen van het bestreden besluit aan verweerder is gestuurd, naar [medisch adviesbureau] heeft gestuurd. Ook uit de beschouwing van het advies blijkt dat deze medische documentatie is gewogen. Het enkele feit dat eiseres, volgens de beschouwing van de arts, een inspanningsvermogen van 5,5 km/u wordt toegedicht doet aan het voorgaande niet af. Ook blijkt uit de beschouwing dat eiseres ten behoeve van de observatie 100 meter aaneengesloten heeft moeten lopen. De enkele verklaring van eiseres op zitting dat zij dit niet heeft gedaan, maakt dit niet anders. Tot slot doet de opmerking dat eiseres een rollator niet mag tillen, niet af aan de conclusie in het rapport dat zij met eventuele voorliggende loophulpmiddelen 100 meter af moet kunnen leggen. Zoals het college op zitting terecht stelt, zijn er ook andere loophulpmiddelen dan een rollator denkbaar, zoals een wandelstok. Er bestaat dan ook geen aanleiding aan te nemen dat het advies op niet objectieve of niet inzichtelijke wijze tot stand is gekomen.
Het college kon en mocht daarom in redelijkheid uit beide adviezen opmaken dat de medische situatie niet rechtvaardigt dat eiseres in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de te beoordelen periode niet voldeed aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat was zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Het beroep is daarom ongegrond.
Conclusie
9. Omdat het beroep ongegrond is, heeft het college de aanvraag van eiseres voor een gehandicaptenparkeerkaart mogen afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Deze voorwaarde staat in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:398.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4871
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
2 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats]
(gemachtigde: mr. E. Chahid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart van eiseres.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft na het bestreden besluit aanvullende medische stukken ontvangen van eiseres en deze voorgelegd aan een arts van [medisch adviesbureau] voor nader medisch advies. Dit medische advies van [medisch adviesbureau] , wat gedurende de beroepsprocedure is opgesteld, heeft niet geleid tot een ander besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 28 mei 2024 op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft het college de aanvraag mogen afwijzen?
4. Eiseres voert aan dat het college haar aanvraag niet had mogen afwijzen, omdat met de door haar overgelegde medische stukken wordt onderbouwd dat zij een loopvermogen heeft van maximaal 100 meter. Ter zitting heeft zij aanvullend aangevoerd dat uit het medische advies van [medisch adviesbureau] niet blijkt dat eiseres ten behoeve van de observatie 100 meter heeft moeten lopen. Ook blijkt daar niet uit dat de overgelegde aanvullende medische stukken zijn gewogen. Met name de vier belangrijkste medische indicaties; te weten een klaplong, suikerziekte en obesitas, kanker en hoge bloeddruk, zijn niet kenbaar gewogen. Daar komt bij dat het voor eiseres als gevolg van deze medische indicaties niet mogelijk is om zich met een rollator over een afstand van 100 meter naar haar auto te begeven, omdat zij niet mag tillen en de rollator dus niet in de auto mag leggen.
5. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op het medisch advies van Argonaut van 5 januari 2024. In dit advies concludeert de beoordelend arts dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, omdat haar loopvermogen niet minder is dan 100 meter. Er weliswaar bij eiseres sprake van een loopbeperking als gevolg van medische problematiek, maar zij wordt in alle redelijkheid in staat geacht om onbelast en met gebruik van een loophulpmiddel meer dan 100 meter aaneengesloten te lopen. De aanwezige loopbeperking is van energetische en locomotorische aard en komt door een verminderde inspanningstolerantie en beperkte belastbaarheid van de rechter knie. Tijdens het spreekuur loopt eiseres bij observatie meer dan 100 meter aaneengesloten zonder ernstige hinder. De arts baseert het ingenomen standpunt op een eigen observatie van het looppatroon en een anamnese.
6. In het medisch advies van [medisch adviesbureau] van 23 augustus 2024 luidt de conclusie van de beoordelend arts, dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres onbelast en met eventuele gebruikelijke voorliggende loophulpmiddelen in redelijkheid, als gevolg van medische problematiek, geen 100 meter of meer kan afleggen. De arts baseert zijn standpunt op het geheel aan medische rapportages betreffende opnames, behandelingen en medebehandelingen ten aanzien van de luchtwegproblematiek tot eind 2024, gericht anamnestisch onderzoek en observatie van het lopen.
7. De rechtbank vindt dat het college zich voor het nemen van het bestreden besluit heeft mogen baseren op het medisch advies van Argonaut en heeft mogen concluderen dat het medisch advies van [medisch adviesbureau] geen aanleiding gaf om dit te herzien. Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van de aanvraag, indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.
De rechtbank stelt vast de eiseres enkel op komt tegen (de bevindingen uit) het rapport van [medisch adviesbureau] en vindt dat wat betreft dat rapport aan deze voorwaarden is voldaan.
7.1
Eiseres heeft de objectiviteit en inzichtelijkheid van de rapportage van [medisch adviesbureau] betwist. De opstellend arts van dat bureau heeft zijn medisch advies gebaseerd op tijdens een spreekuur verricht anamnestisch onderzoek en eiseres geobserveerd tijdens het lopen van 100 meter afstand. Daarnaast heeft de arts zich gebaseerd op het geheel aan medische rapportages betreffende opnames, behandelingen en medebehandelingen ten aanzien van luchtwegproblematiek tot eind februari 2024. Verder blijkt dat uit het dossier en de op zitting gegeven toelichting van het college dat het college de gehele set aan aanvullende medische informatie, die door eiseres na het opstellen van het bestreden besluit aan verweerder is gestuurd, naar [medisch adviesbureau] heeft gestuurd. Ook uit de beschouwing van het advies blijkt dat deze medische documentatie is gewogen. Het enkele feit dat eiseres, volgens de beschouwing van de arts, een inspanningsvermogen van 5,5 km/u wordt toegedicht doet aan het voorgaande niet af. Ook blijkt uit de beschouwing dat eiseres ten behoeve van de observatie 100 meter aaneengesloten heeft moeten lopen. De enkele verklaring van eiseres op zitting dat zij dit niet heeft gedaan, maakt dit niet anders. Tot slot doet de opmerking dat eiseres een rollator niet mag tillen, niet af aan de conclusie in het rapport dat zij met eventuele voorliggende loophulpmiddelen 100 meter af moet kunnen leggen. Zoals het college op zitting terecht stelt, zijn er ook andere loophulpmiddelen dan een rollator denkbaar, zoals een wandelstok. Er bestaat dan ook geen aanleiding aan te nemen dat het advies op niet objectieve of niet inzichtelijke wijze tot stand is gekomen.
Het college kon en mocht daarom in redelijkheid uit beide adviezen opmaken dat de medische situatie niet rechtvaardigt dat eiseres in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de te beoordelen periode niet voldeed aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat was zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Het beroep is daarom ongegrond.
Conclusie
9. Omdat het beroep ongegrond is, heeft het college de aanvraag van eiseres voor een gehandicaptenparkeerkaart mogen afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Deze voorwaarde staat in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:398.