Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-25
ECLI:NL:RBMNE:2025:3079
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,078 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2214
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Minister van Financiën, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 30 september 2024. Bij dit besluit heeft de minister eisers verzoek om schadevergoeding voor zijn FSV-registratie afgewezen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit van 30 september 2024 waarin verweerder iedere vorm van aansprakelijkheid afwijst een zelfstandig schadebesluit is.
3. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns) in werking getreden, voor zover de wet ziet op schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. Op grond van artikel IV, in samenhang gelezen met artikel V, eerste en tweede lid, van de Wns is titel 8.4 van de Awb niet van toepassing op schade veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken, maar is het recht zoals dat gold voor 1 juli 2013 van toepassing.
4. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van laatstgenoemde omstandigheid. Dit betekent dat titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van de Awb, niet van toepassing is, maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 gold. De bestuursrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit is het zogenoemde vereiste van processuele connexiteit. De gestelde schadeoorzaak is bepalend bij de beantwoording van de vraag of tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid beroep open staat bij de bestuursrechter.
5. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de gestelde schadeoorzaak het verwerken van persoonsgegevens betreft. Dit betreft een feitelijke handeling. Het verwerken van persoonsgegevens is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen een gestelde schadeveroorzakende uitoefening van deze publiekrechtelijke bevoegdheid staat geen beroep open bij de bestuursrechter. De bestuursrechter kan dan ook geen oordeel geven over de rechtmatigheid van beslissingen van de minister over vergoeding van schade veroorzaakt door dit feitelijk handelen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3746.
6. Dit betekent dat de bestuursrechter zich in dit geval onbevoegd moet verklaren. Eiser kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij de burgerlijke rechter.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.