Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-18
ECLI:NL:RBMNE:2025:3068
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,586 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11388377 \ MC EXPL 24-7190
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres]
, te [vestigingsplaats] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigden: mr. drs. J.J.F.M. Konings en R.S.L. Warning
tegen
[gedaagde]
handelend onder de naam [handelsnaam], te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. D. Hwang en mr. W.S. Wardenier
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 13;- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4;
- de akte overlegging nadere producties van 6 mei met producties 14 t/m 16.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025. Namens [eiseres] zijn verschenen mevrouw [A] , bestuurder, en haar gemachtigde, R.S.L. Warning. De heer [gedaagde] is verschenen in het bijzijn van zijn gemachtigden mr. D. Hwang en mr. W.S. Wardenier. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat er vandaag een vonnis zou komen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] exploiteert een online slijterij. [gedaagde] heeft voor [eiseres] een nieuwe webshop ontworpen. [eiseres] vindt dat [gedaagde] geen goed werk heeft geleverd want na de oplevering waren er problemen met de webshop. Ze wil haar geld terug en een schadevergoeding. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [gedaagde] is niet op de juiste wijze in gebreke gesteld. Er is te veel onduidelijk over de aard en de duur van de problemen en over waarom [gedaagde] daarvoor verantwoordelijk is. Bovendien zijn alle problemen inmiddels opgelost.
Beoordeling
Achtergronden
3.1.
De overeenkomst tussen partijen dateert van april 2022. De nieuwe website is in december 2022 online gegaan. Daarna heeft [gedaagde] ook nog werkzaamheden verricht. Volgens [eiseres] was dat nodig omdat er bij de webshop van alles niet functioneerde. Volgens [gedaagde] gebeurde dat in het kader van finetuning en een nieuwe afspraak over onderhoud. Na oktober 2023 is er geen contact meer geweest. [eiseres] heeft alle facturen van [gedaagde] betaald tot een totaal bedrag van € 11.926,96.
3.2.
In januari 2024 heeft de hostingprovider aan [eiseres] gemeld dat er eerder sprake was van een hack in de webshop. [eiseres] heeft bij de Belgische politie aangifte gedaan van hacking. Op 18 maart 2024 heeft zij aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin ze zegt dat ze de overeenkomst ontbindt.
3.3.
In deze procedure beroept [eiseres] zich op die ontbinding. Mocht die geen stand houden, dan vraagt [eiseres] de kantonrechter om de overeenkomst alsnog te ontbinden en daarbij te bepalen dat [gedaagde] alles moet terugbetalen wat [eiseres] heeft betaald. Daarnaast wil [eiseres] een schadevergoeding voor de gederfde winst in de tijd dat de website niet goed functioneerde. Het totale bedrag dat [eiseres] in deze procedure voor beide onderdelen vordert is beperkt tot € 25.000 omdat deze zaak anders niet door de kantonrechter kan worden behandeld. Mocht het beroep op ontbinding niet slagen, vraagt [eiseres] het bedrag toe te kennen op grond van wanprestatie.
Het beoordelingskader
3.4.
In de eerste plaats gaat het dus om de vraag of het beroep van [eiseres] op ontbinding slaagt. De wet geeft daarvoor het beoordelingskader. Ontbinden mag als de andere partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Als correct nakomen nog tot de mogelijkheden behoort moet er voor ontbinding eerst sprake zijn van verzuim. Voor verzuim is eerst een ingebrekestelling nodig, tenzij er sprake is van een uitzondering.
3.5.
De partij die zich op het rechtsgevolg van een bepaalde stelling beroept heeft de stelplicht en het bewijsrisico. [eiseres] wil de ontbinding en moet dus (1) het verzuim en (2) de tekortkomingen aantonen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat niet is gelukt.
Geen verzuim
3.6.
Op 18 maart 2024 heeft [eiseres] een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij de overeenkomst(en) met onmiddellijke ingang ontbindt. Die brief is geen ingebrekestelling die voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarvoor had [eiseres] eerst een schriftelijke aanmaning moeten sturen met een redelijke termijn om na te komen. [eiseres] heeft geen omstandigheden aangevoerd waardoor het verzuim zou kunnen zijn ingetreden zonder ingebrekestelling.
3.7.
[eiseres] sloeg dus een essentiële stap over. [gedaagde] was en is daardoor niet in verzuim. [eiseres] was daardoor niet bevoegd om de overeenkomst zelf te ontbinden. Het maakt dat de ontbinding ook in dit vonnis niet kan worden uitgesproken.
Geen tekortkomingen
3.8.
In de brief van 18 maart 2024 worden als redenen voor de ontbinding genoemd, dat de oplevering van de webshop te laat was, dat [gedaagde] geen technisch goed werkende website zou hebben opgeleverd en dat hij criminele activiteiten zou hebben toegestaan. Deze punten worden nu afzonderlijk besproken.
a. Te late oplevering. Volgens [eiseres] was de afspraak dat de website per juni/juli 2022 zou worden opgeleverd maar gebeurde dat pas in december 2022. [eiseres] heeft niet laten zien waar die afspraak staat en dat het daarbij ging om een harde, juridische bindende, deadline. De aanduiding ‘juni/juli 2022’ is op zich al weinig precies. [gedaagde] heeft ook niet stilgezeten. [gedaagde] heeft aan de hand van een lijst laten zien dat [eiseres] steeds aanpassingen aan de webshop wilde en dat de werkzaamheden daarom langer duurden. [gedaagde] heeft mails overgelegd waarin [eiseres] wensen uitte over aanpassingen in het design. [eiseres] erkent dat zij heel vaak mailde. Daarmee legde zij een behoorlijk beslag op de capaciteit [gedaagde] . Het is daarbij niet zo dat [gedaagde] de website opleverde op een moment dat daar geen behoefte meer aan was. [eiseres] heeft de webshop nog steeds in gebruik. [eiseres] kan de vertraging in 2022 niet aangrijpen als een reden om in 2024 te ontbinden.
Technisch niet goed werkende website. In de dagvaarding worden negen functionaliteiten van de webshop genoemd die het op enig moment niet goed zouden hebben gedaan. Zo zouden er bij bestellingen boven de € 150,- ten onrechte verzendkosten in rekening zijn gebracht en zou het winkelmandje van de rechter naar de linkerkant van de pagina zijn versprongen. Klanten zouden geen bevestigingsmails hebben ontvangen of geen factuur hebben kunnen downloaden. Ook was de website meerdere malen offline. Dit zijn op zich ernstige problemen voor een webshop als ze langer voortduren. [gedaagde] heeft echter gemotiveerd betwist dat die problemen zich langere tijd voordeden of hem als webdesigner kunnen worden verweten. Deels zou het gaan om problemen waarvan de oorzaak niet ligt bij de [gedaagde] maar bij de hostingprovider of bij [eiseres] zelf. Deels zou het gaan om zaken die in het kader van regulier onderhoud en nazorg in het voorjaar van 2023 zijn opgelost. Bij de ingebruikname van een nieuwe website is enige nazorg en finetuning altijd noodzakelijk. Als dit voortvarend wordt opgepakt levert dat nog niet direct een tekortkoming op. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] mocht van [eiseres] worden verwacht dat zij (beter) zou uitleggen welk probleem zich bleef voordoen en waarom dat [gedaagde] kan worden verweten. Op zitting bleek [eiseres] daar niet goed toe in staat. Van alle genoemde problemen staat bovendien vast dat zij op 18 maart 2024 niet meer actueel waren en dat [gedaagde] daarvoor ook nooit goed voor in gebreke is gesteld. Dat is ook niet meer aan de orde want [eiseres] heeft inmiddels een goed werkende webshop. [eiseres] zegt dat zij daarvoor een derde heeft moeten inschakelen maar dat blijkt nergens uit.
Toestaan van criminele activiteiten. Door de hostingprovider is op een bepaald moment vastgesteld dat de webshop gehackt was. Volgens [gedaagde] was dit in april 2023 toen de website nog niet zo lang online was en zich in de testfase bevond. [gedaagde] heeft dit opgelost door de software die door een derde was geïnstalleerd op te sporen en te verwijderen. [eiseres] is pas in januari 2024 op de hoogte geraakt om dat de hostingprovider dat kennelijk toen pas vertelde. Het is begrijpelijk dat [eiseres] van dat bericht geschrokken is en dit eerder had willen weten. Een hack kan immers vervelende gevolgen hebben voor [eiseres] of haar klanten. Gesteld noch gebleken is echter dat dit hier zo was of dat [gedaagde] niet adequaat heeft gehandeld. Er is ook geen enkele reden om te denken dat [gedaagde] al dan niet moedwillig criminele activiteiten zou hebben toegelaten. De hostingprovider heeft per email verklaard dat hij dat nooit heeft gezegd. [eiseres] heeft de eigen aangifte overgelegd, maar daaruit kan niets worden afgeleid over de aard van de hack, de toedracht of mogelijke nalatigheid van [gedaagde] . Daarom kan niet worden gezegd dat de hack een tekortkoming van [gedaagde] oplevert die reden is voor ontbinding.
De slotsom is dat op basis van wat [eiseres] heeft aangevoerd niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] is tekortgeschoten. Naast het ontbreken van verzuim is ook dit reden om de overeenkomst niet te ontbinden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling in 4.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.E. Garvelink en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Artikel 93 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering.
Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6:265 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikelen 6:82 en 6:83 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 6:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6:74 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11388377 \ MC EXPL 24-7190
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres]
, te [vestigingsplaats] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigden: mr. drs. J.J.F.M. Konings en R.S.L. Warning
tegen
[gedaagde]
handelend onder de naam [handelsnaam], te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. D. Hwang en mr. W.S. Wardenier
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 13;- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4;
- de akte overlegging nadere producties van 6 mei met producties 14 t/m 16.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025. Namens [eiseres] zijn verschenen mevrouw [A] , bestuurder, en haar gemachtigde, R.S.L. Warning. De heer [gedaagde] is verschenen in het bijzijn van zijn gemachtigden mr. D. Hwang en mr. W.S. Wardenier. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat er vandaag een vonnis zou komen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] exploiteert een online slijterij. [gedaagde] heeft voor [eiseres] een nieuwe webshop ontworpen. [eiseres] vindt dat [gedaagde] geen goed werk heeft geleverd want na de oplevering waren er problemen met de webshop. Ze wil haar geld terug en een schadevergoeding. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [gedaagde] is niet op de juiste wijze in gebreke gesteld. Er is te veel onduidelijk over de aard en de duur van de problemen en over waarom [gedaagde] daarvoor verantwoordelijk is. Bovendien zijn alle problemen inmiddels opgelost.
Beoordeling
Achtergronden
3.1.
De overeenkomst tussen partijen dateert van april 2022. De nieuwe website is in december 2022 online gegaan. Daarna heeft [gedaagde] ook nog werkzaamheden verricht. Volgens [eiseres] was dat nodig omdat er bij de webshop van alles niet functioneerde. Volgens [gedaagde] gebeurde dat in het kader van finetuning en een nieuwe afspraak over onderhoud. Na oktober 2023 is er geen contact meer geweest. [eiseres] heeft alle facturen van [gedaagde] betaald tot een totaal bedrag van € 11.926,96.
3.2.
In januari 2024 heeft de hostingprovider aan [eiseres] gemeld dat er eerder sprake was van een hack in de webshop. [eiseres] heeft bij de Belgische politie aangifte gedaan van hacking. Op 18 maart 2024 heeft zij aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin ze zegt dat ze de overeenkomst ontbindt.
3.3.
In deze procedure beroept [eiseres] zich op die ontbinding. Mocht die geen stand houden, dan vraagt [eiseres] de kantonrechter om de overeenkomst alsnog te ontbinden en daarbij te bepalen dat [gedaagde] alles moet terugbetalen wat [eiseres] heeft betaald. Daarnaast wil [eiseres] een schadevergoeding voor de gederfde winst in de tijd dat de website niet goed functioneerde. Het totale bedrag dat [eiseres] in deze procedure voor beide onderdelen vordert is beperkt tot € 25.000 omdat deze zaak anders niet door de kantonrechter kan worden behandeld. Mocht het beroep op ontbinding niet slagen, vraagt [eiseres] het bedrag toe te kennen op grond van wanprestatie.
Het beoordelingskader
3.4.
In de eerste plaats gaat het dus om de vraag of het beroep van [eiseres] op ontbinding slaagt. De wet geeft daarvoor het beoordelingskader. Ontbinden mag als de andere partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Als correct nakomen nog tot de mogelijkheden behoort moet er voor ontbinding eerst sprake zijn van verzuim. Voor verzuim is eerst een ingebrekestelling nodig, tenzij er sprake is van een uitzondering.
3.5.
De partij die zich op het rechtsgevolg van een bepaalde stelling beroept heeft de stelplicht en het bewijsrisico. [eiseres] wil de ontbinding en moet dus (1) het verzuim en (2) de tekortkomingen aantonen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat niet is gelukt.
Geen verzuim
3.6.
Op 18 maart 2024 heeft [eiseres] een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij de overeenkomst(en) met onmiddellijke ingang ontbindt. Die brief is geen ingebrekestelling die voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarvoor had [eiseres] eerst een schriftelijke aanmaning moeten sturen met een redelijke termijn om na te komen. [eiseres] heeft geen omstandigheden aangevoerd waardoor het verzuim zou kunnen zijn ingetreden zonder ingebrekestelling.
3.7.
[eiseres] sloeg dus een essentiële stap over. [gedaagde] was en is daardoor niet in verzuim. [eiseres] was daardoor niet bevoegd om de overeenkomst zelf te ontbinden. Het maakt dat de ontbinding ook in dit vonnis niet kan worden uitgesproken.
Geen tekortkomingen
3.8.
In de brief van 18 maart 2024 worden als redenen voor de ontbinding genoemd, dat de oplevering van de webshop te laat was, dat [gedaagde] geen technisch goed werkende website zou hebben opgeleverd en dat hij criminele activiteiten zou hebben toegestaan. Deze punten worden nu afzonderlijk besproken.
a. Te late oplevering. Volgens [eiseres] was de afspraak dat de website per juni/juli 2022 zou worden opgeleverd maar gebeurde dat pas in december 2022. [eiseres] heeft niet laten zien waar die afspraak staat en dat het daarbij ging om een harde, juridische bindende, deadline. De aanduiding ‘juni/juli 2022’ is op zich al weinig precies. [gedaagde] heeft ook niet stilgezeten. [gedaagde] heeft aan de hand van een lijst laten zien dat [eiseres] steeds aanpassingen aan de webshop wilde en dat de werkzaamheden daarom langer duurden. [gedaagde] heeft mails overgelegd waarin [eiseres] wensen uitte over aanpassingen in het design. [eiseres] erkent dat zij heel vaak mailde. Daarmee legde zij een behoorlijk beslag op de capaciteit [gedaagde] . Het is daarbij niet zo dat [gedaagde] de website opleverde op een moment dat daar geen behoefte meer aan was. [eiseres] heeft de webshop nog steeds in gebruik. [eiseres] kan de vertraging in 2022 niet aangrijpen als een reden om in 2024 te ontbinden.
Technisch niet goed werkende website. In de dagvaarding worden negen functionaliteiten van de webshop genoemd die het op enig moment niet goed zouden hebben gedaan. Zo zouden er bij bestellingen boven de € 150,- ten onrechte verzendkosten in rekening zijn gebracht en zou het winkelmandje van de rechter naar de linkerkant van de pagina zijn versprongen. Klanten zouden geen bevestigingsmails hebben ontvangen of geen factuur hebben kunnen downloaden. Ook was de website meerdere malen offline. Dit zijn op zich ernstige problemen voor een webshop als ze langer voortduren. [gedaagde] heeft echter gemotiveerd betwist dat die problemen zich langere tijd voordeden of hem als webdesigner kunnen worden verweten. Deels zou het gaan om problemen waarvan de oorzaak niet ligt bij de [gedaagde] maar bij de hostingprovider of bij [eiseres] zelf. Deels zou het gaan om zaken die in het kader van regulier onderhoud en nazorg in het voorjaar van 2023 zijn opgelost. Bij de ingebruikname van een nieuwe website is enige nazorg en finetuning altijd noodzakelijk. Als dit voortvarend wordt opgepakt levert dat nog niet direct een tekortkoming op. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] mocht van [eiseres] worden verwacht dat zij (beter) zou uitleggen welk probleem zich bleef voordoen en waarom dat [gedaagde] kan worden verweten. Op zitting bleek [eiseres] daar niet goed toe in staat. Van alle genoemde problemen staat bovendien vast dat zij op 18 maart 2024 niet meer actueel waren en dat [gedaagde] daarvoor ook nooit goed voor in gebreke is gesteld. Dat is ook niet meer aan de orde want [eiseres] heeft inmiddels een goed werkende webshop. [eiseres] zegt dat zij daarvoor een derde heeft moeten inschakelen maar dat blijkt nergens uit.
Toestaan van criminele activiteiten. Door de hostingprovider is op een bepaald moment vastgesteld dat de webshop gehackt was. Volgens [gedaagde] was dit in april 2023 toen de website nog niet zo lang online was en zich in de testfase bevond. [gedaagde] heeft dit opgelost door de software die door een derde was geïnstalleerd op te sporen en te verwijderen. [eiseres] is pas in januari 2024 op de hoogte geraakt om dat de hostingprovider dat kennelijk toen pas vertelde. Het is begrijpelijk dat [eiseres] van dat bericht geschrokken is en dit eerder had willen weten. Een hack kan immers vervelende gevolgen hebben voor [eiseres] of haar klanten. Gesteld noch gebleken is echter dat dit hier zo was of dat [gedaagde] niet adequaat heeft gehandeld. Er is ook geen enkele reden om te denken dat [gedaagde] al dan niet moedwillig criminele activiteiten zou hebben toegelaten. De hostingprovider heeft per email verklaard dat hij dat nooit heeft gezegd. [eiseres] heeft de eigen aangifte overgelegd, maar daaruit kan niets worden afgeleid over de aard van de hack, de toedracht of mogelijke nalatigheid van [gedaagde] . Daarom kan niet worden gezegd dat de hack een tekortkoming van [gedaagde] oplevert die reden is voor ontbinding.
De slotsom is dat op basis van wat [eiseres] heeft aangevoerd niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] is tekortgeschoten. Naast het ontbreken van verzuim is ook dit reden om de overeenkomst niet te ontbinden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling in 4.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.E. Garvelink en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Artikel 93 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering.
Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6:265 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikelen 6:82 en 6:83 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 6:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6:74 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.