Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:3050
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,354 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1831
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en
Dienst Toeslagen,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om schulden van haar over te nemen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de schulden van eiseres niet vergoed worden. De schulden betreffen informele schulden, waarvoor een notariële akte is vereist. Deze ontbreken. Daarnaast slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van schulden. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft op 13 september 2022 aan de Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst verstrekt waarop drie schulden staan, namelijk een schuld aan [A] ter hoogte van € 30.000,-, een schuld aan [B] ter hoogte van € 40.000,- en een schuld aan gemeente Utrecht ter hoogte van € 2.992,44. Tegen de afwijzing met betrekking tot de schuld aan de gemeente Utrecht zijn geen gronden aangevoerd. De rechtbank laat deze schuld dan ook buiten de beoordeling.
Het bestreden besluit
4. Dienst Toeslagen betaalt de schulden niet af c.q. neemt de schulden niet over omdat deze schulden informele schulden betreffen. De schuld bij [B] is een informele schuld omdat gaat om een lening in het kader van de eenmanszaak van eiseres. Ten aanzien van de schuld bij [A] kan niet beoordeeld worden of die voortvloeit uit de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser, omdat het bedrijf van deze schuldeiser niet meer bestaat. Daarom wordt deze schuld ook gezien als een informele schuld. Beide leningen voldoen niet aan de voorwaarden uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) omdat de leningen niet zijn vastgelegd in een notariële akte. Daarnaast worden in beginsel slechts de achterstand(en) van de leningen worden vergoed op grond van de Wht en is door eiseres niet aangetoond dat er sprake is van een opeisbare achterstand op deze leningen. Er is daarom ook niet voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Ook is een deel van beide voornoemde schulden door eiseres voldaan met de ontvangen Catshuisregeling. Op grond van artikel 4.3 van de Wht kunnen schulden die met de Casthuisregeling zijn voldaan voor vergoeding in aanmerking komen. Nu echter de beide leningen zoals hiervoor uitgelegd niet voldoen aan vereiste van artikel 4.1, tweede lid, en derde lid, aanhef en onder b van de Wht, is dat niet aan de orde.
Het wettelijk kader
6. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt de Dienst Toeslagen een schuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
7. Verder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele/private schulden), alleen worden overgenomen als – kort gezegd – de schuld is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.
Het standpunt van eiseres
8. Eiseres voert aan dat haar schulden moeten worden gezien als bedrijfsmatige schulden, niet als informele schulden. Ze is de schulden aangegaan in het kader van haar eenmanszaak. Omdat haar verzoek tot overname niet conform de regelgeving voor bedrijfsschulden is getoetst, kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Voor bedrijfsmatige schulden geldt de eis van de notariële akte niet. Indien de schulden wel worden aangemerkt als informele schulden, voert eiseres aan dat in geval van eiseres sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het onevenredig zou zijn als wordt vastgehouden aan de eis van de notariële akte. Gelet op de financiële nood van eiseres kan ook niet van haar verwacht worden dat ze haar schulden via een notaris laat vastleggen. Gelet op de realistische gang van zaken binnen de kleine kring van ondernemers van eisers is het niet gebruikelijk om elkaar formele ingebrekestellingen te sturen. Het gebeurt op basis van goed vertrouwen. Dit maakt echter niet dat de lening per definitie niet is opgeëist. Eiseres heeft het ontvangen geld van de toeslagenaffaire grotendeels gebruikt om deze schulden af te betalen. Hieruit blijkt dat ze haar betalingsverplichting is nagekomen. Indien de schuld niet opeisbaar was, had ze dat ook niet gedaan.
Beoordeling
9. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit, het verweerschrift en de behandeling ter zitting uiteengezet dat beide leningen informele schulden zijn, dat de leningen niet zijn vastgelegd in een notariële akte, en dat er geen afspraken zijn vastgelegd met betrekking tot de opeisbaarheid van de leningen. Dat eiseres de schulden ten behoeve van haar bedrijf is aangegaan doet niet ter zake. Het gaat er om dat de schuldeisers geen professionele instanties zijn die beroepsmatig leningen afsluiten. Daarmee voldoen de leningen van eiseres niet aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht en de voorwaarde van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
10. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat desalniettemin het vereiste van de notariële akte en de opeisbaarheid haar niet tegengeworpen kunnen worden, overweegt de rechtbank als volgt. Het vereiste van een notariële akte (of rechterlijke uitspraak) en het vereiste van opeisbaarheid voor 1 juni 2021 zijn vastgelegd in de Wht. Deze vereisten zijn dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd.
11. De rechtbank overweegt verder dat de Wht een wet in formele zin is. Dit betekent dat de rechtbank deze beide vereisten in de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen en in de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt ook dat er desalniettemin aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
12. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval niet voordoen. Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2023 heeft de wetgever de eis van de notariële akte bewust in de wet opgenomen. Zie rechtsoverweging 25 van deze uitspraak en de daargenoemde wetsgeschiedenis.
13. Ditzelfde geldt voor het vereiste van het opeisbaar zijn voor 1 juni 2021. Uit de memorie van toelichting van de Wht blijkt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen.
14. Uit deze wetsgeschiedenis van de Wht moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de consequenties van de beide vereisten door de wetgever welbewust in ogenschouw zijn genomen. Daarbij komt dat eiseres haar stelling, dat het vastleggen van afspraken omtrent leningen niet gebruikelijk is in de Turkse gemeenschap, niet is onderbouwd.
Hardheidsclausule
15. Voor zover eiseres met haar betoog een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank het volgende.
16. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is gezien de wetsgeschiedenis vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.
17. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde Dienst Toeslagen geen aanleiding te zien om bijzondere omstandigheden aan te nemen als bedoeld in de hardheidsclausule. De rechtbank stelt vast dat eiseres hierover in haar beroepsschrift stelt dat het evident is dat zij de leningen is aangegaan omdat zij, doordat zij door de toeslagenaffaire in de financiële problemen kwam, nergens anders krediet kon krijgen, maar dat de leningen in 2008 ten behoeve van haar bruidsmodewinkel zijn aangegaan en zij vervolgens haar schulden niet kon afbetalen door de toeslagenaffaire. Wat daar ook van zij, dit maakt – zoals reeds vermeld – niet dat Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. Er is allereerst geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het de wetgever is ontgaan dat er gedupeerde ouders zijn die leningen zijn aangegaan om terugvorderingen van Dienst Toeslagen te betalen. In de memorie van toelichting is namelijk vermeld dat het niet uitmaakt of een schuld is te herleiden tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag. Het is de wetgever evenmin ontgaan – gezien hetgeen hiervoor overwogen is ten aanzien van het vereiste van een notariële akte – dat er situaties aan de orde kunnen zijn waarin een schuld niet in detail is vastgelegd, bijvoorbeeld omdat dat zoals eiseres stelt tussen de betreffende partijen niet gebruikelijk is. De beide door eiseres geschetste situaties vormen dan ook geen bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. Daarbij komt dat eiseres ook verder geen omstandigheden heeft aangevoerd die op zichzelf onmiskenbaar onbillijk zijn, gelet op het doel van de regeling. Ook heeft zij niet onderbouwd dat er sprake is van een schrijnende situatie wanneer deze schuld niet wordt overgenomen door Dienst Toeslagen. De financiële nood die eiseres stelt te hebben, is niet nader geconcretiseerd.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat haar schulden niet worden overgenomen of vergoed. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
ECLI:NL:RBMNE:2023:1899.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 43 – 45.