Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-01
ECLI:NL:RBMNE:2025:3023
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,773 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1084
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: C. de Groot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen
(gemachtigde: mr. drs. A. Krijgsman en mr. P.M.L. van der Schot).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het verkeersbesluit van 31 januari 2025.
Bij het besluit is bepaald dat de geslotenverklaring voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, een aslast hebben die hoger is dan 4,8 ton (4.800 kg) ter hoogte van de brug tussen de [straat 1] en de [straat 2] in Baambrugge wordt ingetrokken door het verwijderen van geplaatste bord C20, bord van bijlage 1 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (het verkeersbesluit).
Het college heeft het verkeersbesluit genomen omdat daarom verzocht is en uit recent onderzoek is gebleken dat de huidige brug constructief geschikt is om al het gangbare verkeer veilig te kunnen afwikkelen. Gelet op de doelen van het belang van de vrijheid van het wegverkeer en het belang van een goede ontsluiting van de percelen aan de [straat 1] is het wenselijk geen onnodige beperking aan het verkeer op te leggen.
Verzoekster heeft tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt en heeft daarnaast op
6 februari 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot er op het bezwaar is beslist. Concreet betekent dit dat het bord met betrekking tot de geslotenverklaring wordt teruggeplaatst.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college. Ook is namens het college verschenen: M. Bon (beheerder civiele kunstwerken en waterwegen).
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang en het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze beoordeling doet zij op basis van de bezwaargronden van verzoeker. Eerst beoordeelt de voorzieningenrechter het vereiste spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Is er sprake van spoedeisend belang?
3. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dat staat in artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is ingesteld. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. In artikel 8:81 van de Awb staat dat als tegen een besluit bezwaar is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
4. Verzoekster voert aan dat er sprake is van spoedeisend belang omdat zwaar verkeer de brug kan beschadigen en daardoor de enige ontsluiting naar de woningen (waaronder haar eigen woning) niet meer toegankelijk is. Dit geldt ook voor de smalle dijkweg naar de woningen. Het voorkomen van beschadigingen aan de brug en aan de weg is daarom van direct groot belang. Daarbij licht verzoekster toe dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de gemeente dergelijke beschadigingen spoedig herstelt. Verder voert verzoekster aan dat er in het kader van de beoordeling van de constructieve geschiktheid van de brug niet mag worden uitgegaan van het rapport van [deskundige] van 13 december 2024 (het rapport). In het rapport wordt namelijk uitgegaan van voertuigen met een gewicht van 30 ton, terwijl
– omdat er geen aslastbeperking meer geldt – er ook voertuigen van 50 ton over de brug mogen rijden. Daarnaast staat in het rapport bij belastingmodel 2 enkele aslast (BM2) een waarde hoger dan 1 en dat is hoger dan zou mogen. Daarom kan het bestreden besluit niet worden gebaseerd op dit rapport.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Niet aannemelijk is dat er sprake is van zo’n grote mate van spoed dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Dit komt doordat de voorzieningenrechter de kans dat de woning van eiseres daadwerkelijk niet toegankelijk wordt niet reëel acht.
Op de zitting heeft het college voldoende toegelicht dat het rapport tot stand is gekomen met inachtneming van de relevante geldende NEN-normen (waaronder NEN-EN 1991-1 en NEN-EN 1991-2) en dat het is opgesteld door een daartoe gecertificeerd bedrijf. In de berekening op basis van de NEN-normen is volgens het college ook het accelereren en het remmen meegenomen. Verder volgt volgens het college uit pagina’s 15, 18, 20 en 21 van het rapport en bijlage D (rekensheet validatie belastingen rekenmodel), in samenhang met de conclusie uit hoofdstuk 6 van het rapport dat met alle relevante factoren rekening is gehouden. Verder geldt dat in het licht van de gebruikte NEN-normen de houten dekplanken zijn getoetst op elastische buig- en schuifspanning. De maatgevende belasting daarvoor is die van de BM2. Uit het tabel 5.4: ‘Overzicht toetsingen houten dekplanken op afschuiving’ op pagina 21 van het rapport blijkt dat de waarde inderdaad hoger is dan 1, namelijk 1,05. Door de opsteller en autorisator van het rapport wordt deze overschrijding acceptabel geacht. Het feit dat een gebruik BM2 in tabel 5.3 daarin niet is opgenomen, wil niet zeggen dat het rapport onjuist want als gevolg van de geldende NEN-normen en de achterliggende berekeningen kan het zo zijn dat men daartoe niet verplicht was. Verzoekster heeft niet aangetoond dat dat onjuist is. Wat betreft de stalen liggers merkt de voorzieningenrechter op dat deze ook zijn beoordeeld op elastische buig- en schuifspanningen. Bij deze berekeningen is de BM1 maatgevend geweest en is de conclusie dat ze voldoen op buiging volgens het gebruiksniveau. Wat betreft verzoeksters betoog dat er in het rapport is gerekend met voertuigen met een aslast van 30 ton en daarom de berekeningen niet opgaan bij voertuigen met een aslast van 40 of 50 ton, is op pagina 15 van het rapport te lezen dat voor BM1 een aslast van 300 kN moet worden aangehouden en voor BM2 een aslast van 400 kN. De voorzieningenrechter volgt het college in het betoog dat het maar de vraag is of dergelijk grote voertuigen van 50 ton daar gaan rijden gelet op de haakse bocht voor en na de brug en gelet op de beperkte (doorrij) hoogte van 3,5 meter op de brug. Het is door verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat een voortuig van 50 ton gebruik zal maken van de brug.
Is het besluit evident onrechtmatig?
6. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de voorlopige voorziening enkel nog worden getroffen als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Evident onrechtmatig houdt in dat ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit.
7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit overduidelijk onrechtmatig is. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de doelen die hij met het verkeersbesluit wil realiseren. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient hij die tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het college beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Het college hoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de belangen die eraan ten grondslag liggen worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Het college heeft voldoende toegelicht dat, naar aanleiding van het onderzoek van [deskundige] , is gebleken van een onnodige belemmering bij de brug. Door deze onnodige belemmering op te heffen wordt er voldaan aan twee van de doelen van artikel 2 van de Wvw 1994. Dat het verwijderen van het bord als gevolg kan hebben dat – door toekomstige schade – de woning van verzoekster niet bereikbaar zal zijn is, gelet op rechtsoverweging 4, niet aannemelijk. Mocht er onverhoopt wel schade worden veroorzaakt, dan is het aan de gemeente om dit op een gepaste wijze op te lossen.
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen.
Conclusie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het verkeersbord met de aslastbeperking niet teruggeplaatst hoeft te worden door het college. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994).
Artikel 2, eerste lid, onder c, van de WvW 1994.