Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-24
ECLI:NL:RBMNE:2025:3019
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6476
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
18 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Weldam),
en
Schadefonds Geweldsmisdrijven, het Schadefonds
(gemachtigde: mr. Y. Pieters).
Inleiding
Eiser heeft op 24 april 2023 bij het Schadefonds een herzieningsverzoek ingediend. Daarbij heeft hij nieuwe medische informatie van 6 april 2023 overgelegd. Zijn herzieningsverzoek ziet op een eerdere afgewezen aanvraag (de oorspronkelijke aanvraag) van 30 juli 2021. De oorspronkelijke aanvraag is (onder andere) afgewezen omdat er geen sprake is van ernstig letsel zoals bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiser heeft, naast het herzieningsverzoek, ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank over zijn oorspronkelijke aanvraag. Deze uitspraak gaat over eisers herzieningsverzoek.
Het Schadefonds heeft het herzieningsverzoek met het besluit van 16 augustus 2023 afgewezen omdat er geen sprake is van ernstig letsel. Daarbij heeft het Schadefonds de nieuwe medische informatie van 6 april 2023 betrokken.
Met het bestreden besluit van 10 november 2023 heeft het Schadefonds eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 16 augustus 2023 herroepen. Het Schadefonds heeft daarbij toegelicht dat zij het verzoek tot herziening, met de medische informatie van 6 april 2023, ten onrechte als verzoek tot herziening heeft aangemerkt en dat hier ten onrechte een beslissing op is genomen. Dit omdat ten tijde van het bestreden besluit de beslissing op eisers oorspronkelijke aanvraag nog niet onherroepelijk was; de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) had nog niet beslist op het hoger beroep. De medische informatie had doorgezonden moeten worden naar de Afdeling en dit heeft het Schadefonds alsnog gedaan.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser was niet aanwezig en de gemachtigde van het Schadefonds heeft zich (kort) voor de zitting afgemeld.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Het verzoek om herziening van eiser zag op een nieuwe beoordeling van zijn fysieke letsel op grond van het specialistenbericht van neuroloog [A] van 6 april 2023. In de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024 over eisers oorspronkelijke aanvraag is te lezen dat deze brief, in het kader van zowel fysiek als psychisch letsel, is meegenomen als nieuw(e) feit en omstandigheid. De Afdeling heeft deze brief dus gewogen en beoordeeld. De rechtbank heeft eiser daarom tijdens de zitting gevraagd naar zijn procesbelang en eiser heeft aangegeven dat hij het niet eens is met het oordeel van de Afdeling. Ook wil hij dat (andere) nieuwe informatie over zijn huidige medicijnengebruik wordt meegenomen bij een nieuwe beoordeling van zijn psychisch letsel.
3. De rechtbank is van oordeel dat dit geen procesbelang oplevert, nu procesbelang inhoudt dat het resultaat dat eiser met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis heeft. Het resultaat van de beoordeling van de medische informatie van 6 april 2023, de aanleiding van het onderhavige herzieningsverzoek, heeft eiser al bereikt. De brief is immers door de Afdeling meegenomen bij (onder andere) de beoordeling van eisers fysieke letsel. Eiser heeft dan ook geen procesbelang meer bij een beoordeling van de beslissing op bezwaar. Enkel een principieel belang bij een oordeel over een niet-ontvankelijk bezwaar - eiser was het volgens zijn beroepsgrond niet eens met de reden van de niet-ontvankelijkheid - levert geen procesbelang op. De pas tijdens de zitting gestelde nieuwe medische informatie kan eiser in een (eventueel) tweede herzieningsverzoek aan het Schadefonds voorleggen.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt daarom de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt om deze reden het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 23 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:698.
Uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:368.