Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:2991
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,392 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3060, UTR 25/3062, UTR 25/3063 en UTR 25/3064
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2025 in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. P.A. Kok)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt (het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [plaats] , vergunninghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige
voorziening van verzoeker tegen de door het college aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunningen voor de nieuwbouw van een kapschuur en een hoeve aan de [adres 1] en een stal/berging en een kantine aan de [adres 2] in [plaats] .
2. Verzoeker is het niet eens met deze vier omgevingsvergunningen en heeft hiertegen
bezwaar gemaakt. Hij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de vier besluiten tot zes weken na de beslissing op bezwaar worden geschorst.
3. Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn, doet de voorzieningenrechter uitspraak
zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken als kennelijk ongegrond zullen worden afgewezen.
Beoordeling
rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er
onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit telefonisch contact met de vergunninghouder
is gebleken dat inmiddels een aanvang is gemaakt met het slopen van een aantal aanwezige bouwwerken en het aanbrengen/verleggen van kabels en leidingen. In juni 2025 zal gestart worden met de bouwwerkzaamheden. Dit gebeurt op eigen risico en voor eigen rekening van de vergunninghouder, nu de aan hem verleende omgevingsvergunningen nog niet onherroepelijk zijn geworden.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het grootste deel van de onderbouwing van de
verzoeken betrekking heeft op aspecten die pas aan de orde zijn nadat de vergunde bouwwerken in gebruik zijn genomen. Zo vreest verzoeker voor een gebruik voor poloactiviteiten, wijst hij op stikstofuitstoot als gevolg van de stal en hoeve en vraagt hij zich af hoe wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Deze aspecten zal het college in de bezwaarprocedure moeten beoordelen, maar maken niet dat op dit moment het treffen van een spoedmaatregel nodig is. Voor zover verzoeker heeft gewezen op (het ontbreken van) een milieumelding en de open normen in de planregels geldt hetzelfde. Die gronden zien op de rechtmatigheid van de besluiten, maar daarin is op dit moment geen spoedeisend belang gelegen. De aanwezigheid van beschermde soorten of dat die aanwezigheid te verwachten valt in dit gebied, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Daaraan voegt de voorzieningenrechter toe dat het gezien de ligging van de woning van verzoeker de vraag is in hoeverre de mogelijke aanwezigheid van de door verzoeker genoemde dassenburcht van directe invloed is op zijn woon- en leefomgeving. Verzoeker en het college kunnen hieraan in de bezwaarprocedure aandacht besteden.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verder sprake van
bouwwerkzaamheden die ongedaan kunnen worden gemaakt. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoeker ingediende bezwaren de omgevingsvergunningen herroept, zijn reeds uitgevoerde bouwwerkzaamheden op zichzelf omkeerbaar. Daarbij komt dat het college heeft verklaard dat de beslissingen op de bezwaren naar verwachting vóór juli 2025 kunnen worden genomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is waarom het belang van verzoeker zodanig spoedeisend is dat die beslissingen niet afgewacht zouden kunnen worden.
9. De conclusie is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de
gevraagde voorziening.
Conclusie
10. De verzoeken zijn daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst de
verzoeken dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Volledigheidshalve vermeldt de voorzieningenrechter het volgende. In dit geval zijn
vier afzonderlijke zaken aangemaakt en is vier maal griffierecht geheven. Vanwege het samenhangende feitencomplex in dit stadium van de procedure, heeft de griffier aan het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak de opdracht gegeven om in drie zaken het betaalde griffierecht terug te storten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.