Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:2943
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,955 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11300084 \ UC EXPL 24-6160
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
vertegenwoordigd door: de heer [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.V. Vullings.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1-14- de conclusie van antwoord met producties 1-3- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling op 11 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern
2.1.
Tussen partijen bestond een overeenkomst van hypothecaire geldlening. [eiseres] meent dat zij over een bepaalde periode te veel rente heeft betaald aan [gedaagde] . In de eerste plaats omdat [gedaagde] bij het vaststellen van het rentepercentage ten onrechte een ‘floor’ zou hebben toegepast, in de tweede plaats doordat [gedaagde] wijzigingen in de rentevoorwaarden niet tijdig aan [eiseres] heeft gecommuniceerd. [eiseres] meent dat de overeenkomst niet correct is nagekomen en vordert om die reden een schadevergoeding van (totaal)
€ 18.427,00, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter wijst de vordering af omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] rentepercentages heeft gehanteerd die niet in overeenstemming zijn met de overeenkomst en het bepaalde in de algemene voorwaarden. [eiseres] moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De kantonrechter legt dat hierna uit.
Beoordeling
Inleiding
3.1.
Op 16 januari 2006 is tussen de rechtsvoorgangers van partijen - Stichting [naam] en [bedrijf] - een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan een financiering werd verstrekt van € 892.500,- aan [bedrijf] (nu [eiseres] ) en een hypotheekrecht werd gevestigd ten gunste van Stichting [naam] (nu [gedaagde] ) op, onder andere, het pand aan de [adres] in [plaats] , waarvan [eiseres] de eigenaar is. [gedaagde] is een vastgoedfinancier.
3.2.
De rechtsvoorganger van [eiseres] heeft gekozen voor een rentevastheidsperiode van drie maanden tegen een rente van 3,85%.
3.3.
Op de overeenkomst zijn de Hypotheekvoorwaarden Zakelijke Hypotheken (de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 5 staat, voor zover hier van belang, het volgende:
Artikel 5. Rentepercentage
Het rentepercentage waartegen de geldlening is verstrekt, alsmede de (eerste) periode waarvoor een rentepercentage geldt (rentevastheidsperiode), worden in de kredietovereenkomst /offerte en de akte genoemd. De schuldeiser is bevoegd telkens op de renteherzieningsdatum zijn rentevoorwaarden te wijzigen. De schuldeiser zal daartoe telkens één maand voor het eindigen van de betreffende rentevastheidsperiode aan de schuldenaar een voorstel doen met betrekking tot de rente en de daarbij behorende rentevastheidsperiode.
(…)
Indien de schuldenaar het door de schuldeiser gedane renteherzieningsvoorstel niet heeft geaccepteerd en/of geretourneerd binnen de in de renteherzieningsvoorstel genoemde termijn, wordt de renteherzieningsperiode met het bijbehorende rentepercentage vastgesteld door de schuldeiser. (…)
3.4.
Eind 2023 heeft [eiseres] de lening volledig afbetaald.
3.5.
Er is discussie ontstaan over het toegepaste rentepercentage.
Euribor-rente is niet overeengekomen, maar wordt aangemerkt als een handvat bij het bepalen van het rentepercentage voor [eiseres] , evenals ‘de floor’
3.6.
[eiseres] heeft gesteld dat zij langdurig in het ongewisse is geweest over hoe de rente van de geldlening was opgebouwd. In 2021 is in dat verband aan [eiseres] medegedeeld: ‘Het huidige rentetarief is gebaseerd op een 3 maands Euribor tarief (minimum 0), met een opslag van momenteel 350 basispunten’. In 2023 heeft [gedaagde] aan [eiseres] te kennen gegeven dat ‘de leningcondities voor wat betreft de rente [zijn] gebaseerd op 3 maands euribor als basisrente vermeerderd met een opslag’ en ‘geruime tijd is de 3 maands euribor negatief geweest. In die periode gold de 0 grens (floor) als minimum en betaalde [eiseres] derhalve slechts de opslag’. En: ‘Sinds tenminste 2007 zijn de rentecondities van lening [nummer] gebaseerd op 3-maands euribor met een opslag’.
Volgens [eiseres] is die ‘floor’ niet overeengekomen. Bij het in rekening brengen van de rente had daarom uitgegaan moeten worden van het werkelijke negatieve Euribor-percentage. [gedaagde] heeft dat niet gedaan en daardoor heeft [eiseres] over de periode waarin de Euribor negatief was een bedrag van € 12.971,00 te veel aan rente betaald, aldus [eiseres] .
3.7.
De kantonrechter volgt [eiseres] niet. Het standpunt van [eiseres] is gebaseerd op de premisse dat partijen een rentepercentage op basis van Euribor hebben afgesproken, maar die afspraak blijkt nergens uit. Door (de rechtsvoorganger van) [eiseres] is gekozen voor een rentevaste periode van drie maanden met het daarbij horende rentepercentage (van dat moment). De term ‘Euribor’ staat niet in de overeenkomst genoemd, noch in de hypotheekakte. Over de opbouw van het rentepercentage (rente en opslag) zijn evenmin afspraken gemaakt.
3.8.
De handgeschreven notitie op de offerte waaruit volgens [eiseres] zou blijken dat partijen destijds de Euribor hebben besproken, kan niet tot het oordeel leiden dat die afspraak wel is gemaakt. Niet duidelijk is van wie die notitie is, wanneer die is gemaakt en hoe die uitgelegd zou moeten worden, mede in aanmerking genomen dat hiervan niets in de overeenkomst of de hypotheekakte is teruggekomen. [gedaagde] stelt bovendien dat daar niet over is gesproken.
3.9.
[eiseres] heeft er verder op gewezen dat in een aantal renteherzieningsbrieven een splitsing van het rentepercentage werd gegeven in een deel Euribor en een deel opslag, maar ook dit helpt [eiseres] niet. Dat er in de praktijk voor is gekozen om het rentetarief voor [eiseres] te baseren op Euribor-rente en/of een opslag betekent niet dat op [gedaagde] de contractuele verplichting rustte om aan te sluiten bij een negatieve Euribor-rente. [gedaagde] heeft in dit verband toegelicht dat de Euribor-rente voor private investeerders een handvat is om de rente vast te stellen. Bij een langere looptijd van de lening geldt doorgaans een hoger tarief en bij variabele rente kan het handig zijn om aan te sluiten bij de marktrente. Ook kan rekening worden gehouden met mogelijke risico’s. Op grond van artikel 5 van de algemene voorwaarden heeft [gedaagde] de bevoegdheid om de rentevoorwaarden op de renteherzieningsdatum te wijzigen. Bij het bepalen van het rentetarief voor de lening van [eiseres] mocht [gedaagde] dus aanhaken bij de Euribor-rente. Het stond [gedaagde] ook vrij om het rentetarief voor [eiseres] te baseren op (alleen) de opslag in de periode dat de Euribor-rente negatief was. Dat [eiseres] met het hanteren van een ‘floor’ in strijd heeft gehandeld met haar (contractuele) bevoegdheid om de rentevoorwaarden te wijzigen is gesteld noch gebleken. De vordering, voor zover gebaseerd op de gestelde niet correcte nakoming van de overeenkomst, wordt daarom afgewezen.
Het verwijt dat niet tijdig voor het eindigen van de rentevaste periode een rentevoorzieningsvoorstel is gedaan leidt ook niet toewijzing van de vordering
3.10.
In de algemene voorwaarden (zie 3.3) staat dat de schuldeiser tijdig voor het eindigen van de rentevastheidsperiode aan de schuldenaar een voorstel doet met betrekking tot het rentepercentage en de daarbij behorende rentevastheidsperiode. [eiseres] stelt dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan. [eiseres] meent dat het gevolg daarvan moet zijn dat de rente met terugwerkende kracht gecorrigeerd wordt naar 3,5% zoals voor het laatst schriftelijk was aangeboden. [eiseres] heeft met inachtneming van dat rentepercentage berekend dat zij vanaf 1 juni 2015 € 5.456,00 te veel rente heeft betaald.
3.11.
Ook hierin volgt de kantonrechter [eiseres] niet. [gedaagde] heeft toegelicht dat het vaste praktijk is dat een variabele rente – anders dan bij een vaste rente waar artikel 5 lid 1 van de algemene voorwaarden betrekking op heeft – pas wordt vastgesteld op het moment dat een nieuwe rentevaste periode gaat lopen. [eiseres] is als vastgoedbelegger bekend met die praktijk en zodra het nieuwe rentetarief bekend was is dat altijd aan [eiseres] medegedeeld, aldus [gedaagde] . Deze toelichting van [gedaagde] , die [eiseres] overigens niet heeft weersproken, vindt steun in de kennelijke (jarenlange) feitelijke gang van zaken zodat de kantonrechter geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid van die stelling. Voor zover [eiseres] van mening is dat [gedaagde] op dit punt wel is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst dan stuit haar vordering af op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. [eiseres] had eerder moeten protesteren bij [gedaagde] . In april 2006 kon het [eiseres] immers al duidelijk zijn dat er kennelijk geen rentevoorstel werd gedaan en dat er werd volstaan met de mededeling welk rentepercentage de daarop volgende drie maanden van toepassing was. Niet is gebleken dat [eiseres] bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijze van vaststelling van de rentetarieven.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
1257
Zie productie 12 bij dagvaarding
Geciteerd in de conclusie van antwoord onder randnummer 2.7
Zie het e-mailbericht van 22 april 2021, productie 1 bij dagvaarding
Zie het e-mailbericht van [gedaagde] 16 juni 2023, productie 7 bij dagvaarding
Zie het e-mailbericht van [gedaagde] van 18 augustus 2023, productie 10 bij dagvaarding
Zie productie 9 bij dagvaarding
Zie productie 9 bij dagvaarding
Zie 3.3.2. in de conclusie van antwoord
Beoordeling
[eiseres] stelt dat zij wel bezwaar heeft gemaakt. Zij heeft tijdens de mondeling behandeling verwezen naar een brief van 7 februari 2018. Uit die brief blijkt volgens [eiseres] dat er wel degelijk een rentevoorstel is gedaan dat [eiseres] had moeten accorderen. [gedaagde] heeft ten aanzien van die brief opgemerkt dat die niet over een nieuw rentevoorstel gaat, maar over de verlenging van een rentevaste periode tegen hetzelfde tarief. Wie het gelijk aan zijn zijde heeft is niet relevant. Uit deze brief kan immers niet worden afgeleid dat [eiseres] wél bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van rentevoorstellen terwijl zij deze brief juist heeft aangehaald ter onderbouwing van die stelling. Een bespreking van deze brief kan daarom in het midden blijven.
3.12.
Daarnaast heeft [gedaagde] , naar aanleiding van stelling van [eiseres] dat zij vanaf mei 2021 geen renteherzieningsbrieven meer heeft ontvangen, toegelicht dat haar rentevoorwaarden sinds de overdracht op 1 juni 2021 van de financieringsportefeuille van haar rechtsvoorganger, waaronder de overeenkomst met [eiseres] , niet zijn gewijzigd. Omdat de rentevoorwaarden niet wijzigden bestond er geen noodzaak om dat te communiceren, zo stelt [gedaagde] . [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] haar ieder kwartaal op de hoogte had moeten brengen omdat er wellicht aanleiding zou zijn om de financiering ergens anders onder te brengen maar dat betoog treft geen doel. [eiseres] miskent hiermee dat de algemene voorwaarden geen grondslag bieden voor een dergelijke verplichting voor [gedaagde] als de rentevoorwaarden niet wijzigen.
3.13.
Maar zelfs als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat [eiseres] wel een beroep kan doen op een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , dan nog kan dat [eiseres] niet baten. [gedaagde] heeft onweersproken toegelicht dat ook als zij wel tijdig een rentevoorstel had gedaan dat niet tot een ander resultaat had geleid. Uit de algemene voorwaarden volgt immers ook dat de schuldeiser de rentetarieven vaststelt als een rentevoorstel niet door een schuldenaar wordt geaccepteerd. [gedaagde] wijst er verder op dat [eiseres] meerdere keren een verzoek om renteverlaging heeft gedaan, welke verzoeken [gedaagde] steeds heeft afgewezen. [gedaagde] had dus, ongeacht de acceptatie van een rentevoorstel door [eiseres] , het geoffreerde tarief kunnen vaststellen. Overigens heeft [gedaagde] ten aanzien van de toegepaste rentetarieven toegelicht dat het haar vrijstond om binnen de grenzen van artikel 6:248 lid 2 BW te bepalen welk rentetarief zij hanteerde. Gesteld noch gebleken is dat de gehanteerde rentetarieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar waren.
Uit het voorgaande volgt dat ook dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is.
Proceskosten
3.14.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
947,00
3.15.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.