Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-01
ECLI:NL:RBMNE:2025:2929
Civiel recht
Kort geding
1,545 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11706950 \ UV EXPL 25-126 BJvd/61169
Vonnis in kort geding van 1 juli 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.D. Kurz,
tegen
[gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I. Langeveld.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties,- de conclusie van antwoord met 2 producties,- de mondelinge behandeling van 17 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiser] .
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] huurt een bedrijfsruimte van [eiser] waar hij een garagebedrijf houdt. Volgens [eiser] is de huur met wederzijdse instemming beëindigd vanaf 1 juli 2025 en hij vordert daarom onder andere ontruiming van [gedaagde] uit de bedrijfsruimte vanaf 2 juli 2025. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen en wijst deze daarom af.
Beoordeling
[eiser] heeft geen spoedeisend belang
3.1.
[eiser] vordert ontruiming van [gedaagde] uit de bedrijfsruimte aan het adres [adres] te [plaats] op 2 juli 2025 en oplevering van het gehuurde onder een aantal voorwaarden, dit alles op straffe van een dwangsom. [eiser] vordert ook medewerking van [gedaagde] aan een bodemonderzoek. De vorderingen zullen worden afgewezen. Het spoedeisend belang in deze zaak ontbreekt namelijk en dat is wel nodig voor toewijzing van een vordering in een kort geding procedure. [eiser] heeft een spoedeisend belang als van hem niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.
3.2.
[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat hij de huur heeft opgezegd per 2 juli 2025 en het al bijna 2 juli 2025 is. Dat deze datum door [eiser] als einddatum wordt genoemd maakt de vordering nog niet spoedeisend, want dit betekent niet dat de opzegging niet op een later moment door een bodemrechter getoetst zou kunnen worden.
3.3.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat hij de bedrijfsruimte vanaf 2 juli 2025 zelf wil gaan gebruiken. Ook dit levert geen spoedeisend belang op, want alleen de wens om dit te doen is daarvoor onvoldoende. Dat kan ook nadat hierover in een bodemprocedure is beslist. En het staat niet vast dat het voor [eiser] noodzakelijk is om dat per 2 juli 2025 te doen om inkomsten te hebben, want [eiser] heeft dit niet onderbouwd terwijl [gedaagde] dit heeft weersproken.
3.4.
Volgens [eiser] kan hij de uitkomst van een bodemprocedure ook niet afwachten omdat er sprake is van brandgevaar bij het gehuurde. [gedaagde] heeft daar namelijk veel autobanden opgeslagen. Volgens [eiser] wil de verzekeraar daarom het pand niet verzekeren. Dat de bedrijfsruimte brandgevaarlijk is, is door [eiser] niet onderbouwd en [gedaagde] heeft dat betwist. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangeboden om stukken, die het brandgevaar aantonen, te overleggen. De kantonrechter heeft dit niet toegestaan omdat [eiser] deze stukken al sinds februari 2024 in zijn bezit had en het aan [eiser] was om de brandgevaarlijkheid tijdig, dus bij dagvaarding of in ieder geval 24 uur voorafgaand aan de zitting, te onderbouwen met stukken.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
563,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.6.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 563,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de kostenveroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.