Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:2814
Civiel recht
Wraking
3,576 tokens
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 593266 / HA RK 25-89
Dictum
5 juni 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster]
,
(verder: verzoekster).
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft op 11 mei 2025 mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. Pinckaers (hierna: de rechter) behandelt in de zaak met zaaknummer 11649305 UV EXPL 25-103 het verzoek tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster voor uit te voeren onderhouds- en renovatiewerkzaamheden.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 22 mei 2025 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Verzoekster is bij de mondelinge behandeling verschenen. De rechter heeft de wrakingskamer laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn. Wel heeft de wrakingskamer voor de zitting een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter ontvangen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek.
De rechter heeft verzoekster op de zitting van 2 mei 2025 niet de gelegenheid gegeven om te zeggen wat zij wilde zeggen. Verzoekster en ook haar gemachtigde werden door de rechter afgekapt. De verdediging van verzoekster was gebaseerd op artikel 7:220 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, maar de rechter heeft dat artikel niet genoemd. Ook het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal heeft de rechter niet ter sprake gebracht. De rechter gaf direct haar eigen mening over de situatie van verzoekster zonder verzoekster een toelichting op die situatie te laten geven. Verzoekster heeft daarom het gevoel gekregen dat de rechter vooringenomen is en dat haar belangen door deze rechter niet worden meegenomen in de beslissing.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat zij beide partijen op de zitting gelijk heeft behandeld. Zij heeft de gemachtigden van beide partijen de gelegenheid gegeven om de vordering en het verweer toe te lichten en om op elkaars standpunten te reageren. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om de woorden van haar gemachtigde aan te vullen. De rechter ziet daarom geen grond voor de vrees van partijdigheid.
Beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat een rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke partijdigheid schade.
Wrakingsverzoek tijdig ingediend
3.3.
Artikel 37 lid 1 Rv bepaalt dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoek(st)er bekend zijn geworden. Verzoekster legt het handelen van de rechter op de zitting van 2 mei 2025 aan haar wrakingsverzoek ten grondslag. Zij heeft de rechter pas op 11 mei 2025 gewraakt. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij er via het Juridisch Loket van op de hoogte is geraakt dat zij de rechter kon wraken. Zij heeft tegen haar gemachtigde gezegd dat zij de rechter wilde wraken, maar haar gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. Verzoekster heeft toen contact gezocht met de rechtbank en hoorde van de rechtbank dat zij zelf een wrakingsverzoek kon indienen. Verzoekster heeft dat vervolgens direct gedaan. De wrakingskamer is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend.
Het wrakingsverzoek
3.4.
Voor de wrakingskamer is het van de zitting van 2 mei 2025 opgemaakte proces-verbaal in beginsel de kenbron van alles wat op de zitting is gebeurd. De wrakingskamer heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van dat proces-verbaal. Uit het proces-verbaal maakt de wrakingskamer niet op dat de rechter verzoekster geen ruimte heeft gegeven om haar kant van het verhaal te vertellen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter partijen over en weer de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunten naar voren te brengen en dat de rechter ook de professionele gemachtigden van partijen aan het woord heeft gelaten. Zo blijkt uit het proces-verbaal ook dat de rechter aan het eind van de mondelinge behandeling verzoekster uitdrukkelijk de gelegenheid heeft gegeven om te zeggen wat zij nog wilde zeggen. Het is verder aan de rechter om te bepalen welke informatie zij nodig heeft om tot een goede beoordeling van de zaak te komen en daarmee welke onderwerpen op de zitting besproken worden. Er zijn de wrakingskamer dan ook geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de vrees van verzoekster voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Daarom zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 11649305 UV EXPL 25-103 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. C.P. Lunter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
de griffier de voorzitter
bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing getekend door de jongste rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 593266 / HA RK 25-89
Dictum
5 juni 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster]
,
(verder: verzoekster).
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft op 11 mei 2025 mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. Pinckaers (hierna: de rechter) behandelt in de zaak met zaaknummer 11649305 UV EXPL 25-103 het verzoek tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster voor uit te voeren onderhouds- en renovatiewerkzaamheden.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 22 mei 2025 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Verzoekster is bij de mondelinge behandeling verschenen. De rechter heeft de wrakingskamer laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn. Wel heeft de wrakingskamer voor de zitting een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter ontvangen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek.
De rechter heeft verzoekster op de zitting van 2 mei 2025 niet de gelegenheid gegeven om te zeggen wat zij wilde zeggen. Verzoekster en ook haar gemachtigde werden door de rechter afgekapt. De verdediging van verzoekster was gebaseerd op artikel 7:220 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, maar de rechter heeft dat artikel niet genoemd. Ook het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal heeft de rechter niet ter sprake gebracht. De rechter gaf direct haar eigen mening over de situatie van verzoekster zonder verzoekster een toelichting op die situatie te laten geven. Verzoekster heeft daarom het gevoel gekregen dat de rechter vooringenomen is en dat haar belangen door deze rechter niet worden meegenomen in de beslissing.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat zij beide partijen op de zitting gelijk heeft behandeld. Zij heeft de gemachtigden van beide partijen de gelegenheid gegeven om de vordering en het verweer toe te lichten en om op elkaars standpunten te reageren. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om de woorden van haar gemachtigde aan te vullen. De rechter ziet daarom geen grond voor de vrees van partijdigheid.
Beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat een rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke partijdigheid schade.
Wrakingsverzoek tijdig ingediend
3.3.
Artikel 37 lid 1 Rv bepaalt dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoek(st)er bekend zijn geworden. Verzoekster legt het handelen van de rechter op de zitting van 2 mei 2025 aan haar wrakingsverzoek ten grondslag. Zij heeft de rechter pas op 11 mei 2025 gewraakt. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij er via het Juridisch Loket van op de hoogte is geraakt dat zij de rechter kon wraken. Zij heeft tegen haar gemachtigde gezegd dat zij de rechter wilde wraken, maar haar gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. Verzoekster heeft toen contact gezocht met de rechtbank en hoorde van de rechtbank dat zij zelf een wrakingsverzoek kon indienen. Verzoekster heeft dat vervolgens direct gedaan. De wrakingskamer is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend.
Het wrakingsverzoek
3.4.
Voor de wrakingskamer is het van de zitting van 2 mei 2025 opgemaakte proces-verbaal in beginsel de kenbron van alles wat op de zitting is gebeurd. De wrakingskamer heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van dat proces-verbaal. Uit het proces-verbaal maakt de wrakingskamer niet op dat de rechter verzoekster geen ruimte heeft gegeven om haar kant van het verhaal te vertellen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter partijen over en weer de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunten naar voren te brengen en dat de rechter ook de professionele gemachtigden van partijen aan het woord heeft gelaten. Zo blijkt uit het proces-verbaal ook dat de rechter aan het eind van de mondelinge behandeling verzoekster uitdrukkelijk de gelegenheid heeft gegeven om te zeggen wat zij nog wilde zeggen. Het is verder aan de rechter om te bepalen welke informatie zij nodig heeft om tot een goede beoordeling van de zaak te komen en daarmee welke onderwerpen op de zitting besproken worden. Er zijn de wrakingskamer dan ook geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de vrees van verzoekster voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Daarom zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 11649305 UV EXPL 25-103 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. C.P. Lunter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
de griffier de voorzitter
bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing getekend door de jongste rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.