Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:273
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,060 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11284701 \ UC EXPL 24-5814 WMB/61313
Vonnis van 5 februari 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.C.M. Suikerbuik (De Rechtsagent B.V.),
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.A. van Weelderen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 augustus 2024, met producties;- de conclusie van antwoord, met producties, met daarin ook een voorwaardelijke eis in reconventie.
1.2.
Op 14 januari 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is gezegd. [eiser] was aanwezig op de zitting, samen met zijn gemachtigde, mr. S.C.M. Suikerbuik. [gedaagde] was aanwezig op de zitting, samen met zijn gemachtigde, mr. R.A. van Weelderen. Ook de heer [A] , medewerker bij de onderneming van [gedaagde] , was op de zitting aanwezig.
1.3.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiser] heeft op 4 april 2024 een tweedehands auto van [gedaagde] gekocht. Volgens [eiser] heeft de auto een verborgen gebrek. [eiser] heeft de koopovereenkomst op 7 mei 2024 ontbonden. Hij vraagt (in conventie) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden en hij wil dat [gedaagde] hem de koopprijs van € 5.950,00 terugbetaalt en dat [gedaagde] de auto op zijn kosten komt ophalen. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] wil (in voorwaardelijke reconventie) dat [eiser] de auto aan hem afgeeft in het geval dat de vorderingen van [eiser] (in conventie) worden toegewezen. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] (in conventie) afwijzen. De vordering van [gedaagde] (in voorwaardelijke reconventie) wordt niet behandeld. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
in conventie
[eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij rechtsgeldig kon ontbinden
3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de koopovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig op 7 mei 2024 ontbonden is. Er is in dit geval sprake van consumentenkoop en [eiser] beroept zich op de wettelijke regeling voor ontbinding van een consumentenkoopovereenkomst bij non-conformiteit.
3.2.
Om een consumentenkoopovereenkomst rechtsgeldig te kunnen ontbinden op grond van die regeling, moet aan een aantal eisen zijn voldaan. Er moet sprake zijn van non-conformiteit, wat betekent dat het aangekochte product niet de eigenschappen bezit die de consument-koper op grond van de overeenkomst daarvan mocht verwachten. Als dat het geval is, moet de consument-koper vervolgens aan de verkoper de mogelijkheid geven om het probleem te herstellen of om het product te vervangen. Als de verkoper dat niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument-koper doet of wil doen, dan mag de consument-koper de overeenkomst ontbinden. De consument-koper kan dan op kosten van de verkoper het product aan hem teruggeven en de verkoper is dan verplicht om de koopprijs terug te betalen.
3.3.
Omdat [eiser] zich op de regeling beroept, is het ook aan hem om voldoende te onderbouwen dat er aan de vereisten voor een rechtsgeldige ontbinding is voldaan. Dat heeft hij onvoldoende gedaan.
Er is onvoldoende gebleken dat de distributieketting defect was
3.4.
[eiser] stelt dat de aangekochte auto een verborgen gebrek had (en dus non-conform was), omdat binnen twee weken na de aankoop is gebleken dat de distributieketting defect is en dat de auto daardoor te onveilig is voor normaal gebruik op de weg. Volgens [eiser] is hem dat verteld door het garagebedrijf waar hij de auto heen had gebracht om de olie te verversen en is hem geadviseerd om niet meer met de auto te gaan rijden. [gedaagde] heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat de distributieketting van de auto defect is. Volgens hem heeft hij aangeboden om de auto te onderzoeken, maar heeft [eiser] hem daar nooit de mogelijkheid toe gegeven.
3.5.
De kantonrechter oordeelt dat niet vast is komen te staan dat de auto een verborgen gebrek had en daardoor non-conform was, omdat onvoldoende is gebleken dat de distributieketting defect is. [eiser] heeft als onderbouwing voor zijn stelling alleen een offerte van het garagebedrijf overgelegd, waarop onder andere een prijs voor een distributieketting set is opgenomen. Uit die offerte blijkt niet dat de huidige distributieketting kapot is, maar alleen hoeveel een nieuwe distributieketting zou kosten. Daar komt bij dat [eiser] tijdens de zitting heeft gezegd dat hij na het advies van het garagebedrijf nog tien tot twaalf keer met de auto heeft gereden. Dat klopt niet met zijn stelling dat de auto te onveilig is om te gebruiken en dat hem is geadviseerd om daar niet meer mee te rijden.
3.6.
Anders dan [eiser] heeft betoogd, kan hij ook geen beroep doen op het wettelijke vermoeden bij consumentenkoop. Dat vermoeden houdt in dat een product wordt vermoed non-conform te zijn geweest bij de aflevering daarvan, als zich in het product binnen één jaar na aflevering een gebrek openbaart. In dit geval helpt dat vermoeden hem niet, omdat er dus niet is vast komen te staan dat de auto een gebrek heeft.
Er is geen ruimte voor bewijslevering
3.7.
[eiser] heeft tijdens de zitting aangeboden om bewijs te leveren dat de distributieketting kapot is door middel van een deskundigenrapport. De kantonrechter ziet daarvoor geen ruimte, omdat ook als [eiser] erin zou slagen om dat bewijs te leveren, zijn vorderingen zouden worden afgewezen. Als ervan zou worden uitgegaan dat de distributieketting kapot is, geldt namelijk het volgende.
Het staat niet vast dat [gedaagde] heeft geweigerd om de auto te kosteloos te repareren
3.8.
De consument-koper moet de verkoper in principe de mogelijkheid geven om een gebrekkig product te herstellen voordat hij de koopovereenkomst kan ontbinden. [eiser] stelt dat hij dat in dit geval niet hoefde te doen, omdat [gedaagde] volgens hem heeft geweigerd om de auto kosteloos te repareren en [gedaagde] alleen heeft voorgesteld om de reparatiekosten te delen. Volgens [eiser] stond het hem daarom vrij om de overeenkomst te ontbinden. Naar oordeel van de kantonrechter is niet vast komen te staan dat [gedaagde] heeft geweigerd om de auto kosteloos te repareren.
3.9.
Uit een door [eiser] overgelegde e-mail blijkt dat hij op 18 april 2024 in de avond aan [gedaagde] heeft gevraagd om het (vermeende) probleem met de auto op te lossen. De volgende dag heeft [eiser] vervolgens gebeld met de heer [A] , een medewerker van [gedaagde] . [eiser] en [A] verschillen van mening over wat er tijdens dat telefoongesprek is gezegd. Volgens [eiser] zou [A] (namens [gedaagde] ) hebben geweigerd om de auto kosteloos te (laten) repareren. [A] ontkent dat. Volgens hem heeft hij [eiser] twee opties geboden, namelijk ofwel dat [gedaagde] de auto na zou (laten) kijken en kosteloos zou (laten) repareren als hij inderdaad stuk was, ofwel dat [gedaagde] zonder onderzoek aan de auto de helft van de kosten zou betalen voor de werkzaamheden uit de offerte van het garagebedrijf.
3.10.
Onder andere gelet op de verklaring van [A] , is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [A] (namens [gedaagde] ) heeft geweigerd om de auto kosteloos te repareren. [eiser] heeft namelijk geen verdere onderbouwing gegeven voor zijn stelling, terwijl hij in de dagvaarding wel schrijft dat [gedaagde] heeft toegezegd om naar de auto te kijken. Tijdens de zitting heeft [eiser] bovendien gezegd dat hij het telefoongesprek inging met het doel om van de koop af te komen, omdat hij geen vertrouwen meer had in (de onderneming van) [gedaagde] . Hij heeft uitgelegd dat hij daarom aan [A] heeft aangegeven dat hij van de auto af wilde en dat hij zijn geld terug wilde. Uit dat alles volgt niet dat [A] (namens [gedaagde] ) heeft geweigerd om de auto kosteloos te repareren, maar eerder dat [eiser] gelijk heeft aangestuurd op ontbinding.
[eiser] heeft geen mogelijkheid tot herstel geboden
3.11.
Omdat het niet vast is komen te staan dat [gedaagde] heeft geweigerd om de auto kosteloos te repareren, stond het [eiser] ook niet vrij om de overeenkomst te ontbinden voordat hij [gedaagde] de mogelijkheid had gegeven om de auto binnen een redelijke termijn kosteloos te repareren. Uit de rest van het contact tussen partijen blijkt dat [eiser] dat niet heeft gedaan. In eerste instantie heeft [eiser] in zijn e-mail van 18 april 2024 namelijk wel aan [gedaagde] gevraagd om het probleem met de auto op te lossen, maar gelijk de dag daarna heeft hij dus al tegen [A] gezegd dat hij van de auto af wilde en zijn geld terug wilde. Dat is te weinig tijd om van een redelijke termijn voor herstel te kunnen spreken.
3.12.
[eiser] stelt dat hij [gedaagde] daarna (alsnog) een redelijke termijn heeft gegeven door in zijn e-mail van 20 april 2024 opnieuw om herstel van de auto te vragen en vervolgens te wachten tot 8 mei 2024 met de ontbinding. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Anders dan [eiser] zegt, leest de kantonrechter in de e-mail van 20 april 2024 geen verzoek tot herstel, maar alleen een schriftelijke herhaling van wat [eiser] al in het telefoongesprek had gezegd, namelijk dat hij van de koop af wilde.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
4.4.
stelt vast dat de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan en geen verdere behandeling behoeft;
4.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.
In de zin van artikel 7:5 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:17 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:21 lid 3 en 7:22 lid 5 onder a van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:22 lid 1 onder a en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:22 lid 7 onder a en b van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 7:18a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Op grond van artikel 7:22 lid 5 onder a van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek.