Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-11
ECLI:NL:RBMNE:2025:2663
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,906 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde partij] uit [woonplaats].
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen het besluit van de Svb waarbij eiser niet eerder dan vanaf het tweede kwartaal van 2024 de volledige kinderbijslag voor zijn zoon ontvangt.
2. De rechtbank heeft beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Svb deelgenomen. Eiser is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Ook de derde-partij is niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
3. In 2014 zijn eiser en zijn ex-echtgenote gescheiden. Zij hebben samen twee kinderen, een zoon en een dochter. Er was sprake van co-ouderschap. De zoon van eiser woonde zowel bij eiser als bij zijn moeder. De kinderbijslag voor de zoon werd op grond van co-ouderschap voor de helft aan eiser en voor de helft aan moeder betaald. Vanaf het tweede kwartaal van 2024 wordt de volledige kinderbijslag door de Svb betaald aan eiser.
Standpunten van partijen
4. Eiser voert in beroep aan dat zijn zoon sinds augustus 2023 bij hem woont en niet meer bij zijn moeder. Sinds die tijd is er geen sprake meer van co-ouderschap. Volgens eiser heeft hij daarom vanaf augustus 2023 recht op de volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
5. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat tot augustus 2023 sprake was van co-ouderschap. Vanaf die tijd zijn de afspraken gewijzigd en woont de zoon bij eiser. Na zes maanden is de situatie bestendig geworden. Eiser heeft daarom vanaf het tweede kwartaal van 2024 recht op volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
6. In geschil is dus of de Svb terecht heeft beslist dat eiser geen recht heeft op de uitbetaling van de volledige kinderbijslag voor zijn zoon over het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024.
Juridisch kader
7. Verzekerden voor de AKW hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan achttien jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Veelal hebben kinderen twee voor de AKW verzekerde ouders en hebben de twee ouders over dezelfde tijdvakken recht op kinderbijslag voor dezelfde kinderen. Hun rechten op kinderbijslag lopen dan samen. Dit leidt niet tot een dubbel recht op uitbetaling van kinderbijslag. Op grond van de samenloopbepalingen die zijn opgenomen in de AKW en het BUK, wordt over hetzelfde tijdvak per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Meestal moet de Svb de kinderbijslag volledig uitbetalen aan één van beide ouders. Soms is een gesplitste uitbetaling aan de orde.
8. Als, zoals in dit geval, twee verzekerde ouders geen gezamenlijke huishouding meer voeren, is van belang of het kind al dan niet tot het huishouden van één van de verzekerde ouders behoort. Als het kind behoort tot het huishouden van de ene ouder en niet tot het huishouden van de andere ouder, wordt de kinderbijslag waarop die andere ouder recht heeft, niet uitbetaald. Dat is bepaald in artikel 18, vierde lid, van de AKW.
9. Voor gevallen waarin een kind behoort tot de huishoudens van twee verzekerde ouders die geen gezamenlijke huishouding voeren, is – op grond van artikel 18, zevende lid, van de AKW – een aanvullende regeling getroffen volgende. Als twee personen die recht hebben op kinderbijslag eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden. Het recht op kinderbijslag van de andere persoon wordt dan niet uitbetaald. Dit is alleen anders als in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald. Dit alles is geregeld in artikel 10 van het BUK.
10. Bij de toepassing van artikel 18, vierde lid, van de AKW en artikel 10 van het BUK hanteert de Svb op basis van beleidsregel SB1014 en beleidsregel SB1096 het criterium dat een kind wordt geacht te wonen waar het kind het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt. Als er sprake is van een overeengekomen of opgelegde regeling over de opvoeding van het kind, gaat de Svb in beginsel uit van wat is bepaald in de betreffende regeling. Alleen als blijkt dat zo’n regeling bestendig niet wordt nageleefd, dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor de uitbetaling. In het algemeen heeft de niet-naleving van een regeling een bestendig karakter als ouders de afspraken langer dan zes maanden niet naleven.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat eiser tot het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op volledige kinderbijslag voor zijn zoon. Van belang is dat er sprake was van co-ouderschap tussen eiser en zijn ex-echtgenote. Eiser heeft verklaard dat de situatie sinds augustus 2023 is veranderd en dat zijn zoon sindsdien bij hem verblijft en niet meer (deels) bij moeder. Ook de toenmalige voogd heeft verklaard dat de zoon van eiser vanaf juli 2023 volledig bij zijn vader woont. Partijen zijn het hier dus over eens. De Svb hoeft alleen uit te gaan van de feitelijke situatie als blijkt dat deze situatie een bestendig karakter heeft. Blijkens het beleid is hiervan sprake na een periode van zes maanden. Dit betekent, in het geval van eiser, dat de situatie medio januari 2024 bestendig is geworden. Hierdoor bestaat er voor eiser vanaf het tweede kwartaal van 2024 recht op volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene kinderbijslagwet.
Besluit uitvoering kinderbijslag.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde partij] uit [woonplaats].
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen het besluit van de Svb waarbij eiser niet eerder dan vanaf het tweede kwartaal van 2024 de volledige kinderbijslag voor zijn zoon ontvangt.
2. De rechtbank heeft beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Svb deelgenomen. Eiser is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Ook de derde-partij is niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
3. In 2014 zijn eiser en zijn ex-echtgenote gescheiden. Zij hebben samen twee kinderen, een zoon en een dochter. Er was sprake van co-ouderschap. De zoon van eiser woonde zowel bij eiser als bij zijn moeder. De kinderbijslag voor de zoon werd op grond van co-ouderschap voor de helft aan eiser en voor de helft aan moeder betaald. Vanaf het tweede kwartaal van 2024 wordt de volledige kinderbijslag door de Svb betaald aan eiser.
Standpunten van partijen
4. Eiser voert in beroep aan dat zijn zoon sinds augustus 2023 bij hem woont en niet meer bij zijn moeder. Sinds die tijd is er geen sprake meer van co-ouderschap. Volgens eiser heeft hij daarom vanaf augustus 2023 recht op de volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
5. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat tot augustus 2023 sprake was van co-ouderschap. Vanaf die tijd zijn de afspraken gewijzigd en woont de zoon bij eiser. Na zes maanden is de situatie bestendig geworden. Eiser heeft daarom vanaf het tweede kwartaal van 2024 recht op volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
6. In geschil is dus of de Svb terecht heeft beslist dat eiser geen recht heeft op de uitbetaling van de volledige kinderbijslag voor zijn zoon over het derde kwartaal van 2023 tot en met het eerste kwartaal van 2024.
Juridisch kader
7. Verzekerden voor de AKW hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan achttien jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Veelal hebben kinderen twee voor de AKW verzekerde ouders en hebben de twee ouders over dezelfde tijdvakken recht op kinderbijslag voor dezelfde kinderen. Hun rechten op kinderbijslag lopen dan samen. Dit leidt niet tot een dubbel recht op uitbetaling van kinderbijslag. Op grond van de samenloopbepalingen die zijn opgenomen in de AKW en het BUK, wordt over hetzelfde tijdvak per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Meestal moet de Svb de kinderbijslag volledig uitbetalen aan één van beide ouders. Soms is een gesplitste uitbetaling aan de orde.
8. Als, zoals in dit geval, twee verzekerde ouders geen gezamenlijke huishouding meer voeren, is van belang of het kind al dan niet tot het huishouden van één van de verzekerde ouders behoort. Als het kind behoort tot het huishouden van de ene ouder en niet tot het huishouden van de andere ouder, wordt de kinderbijslag waarop die andere ouder recht heeft, niet uitbetaald. Dat is bepaald in artikel 18, vierde lid, van de AKW.
9. Voor gevallen waarin een kind behoort tot de huishoudens van twee verzekerde ouders die geen gezamenlijke huishouding voeren, is – op grond van artikel 18, zevende lid, van de AKW – een aanvullende regeling getroffen volgende. Als twee personen die recht hebben op kinderbijslag eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden. Het recht op kinderbijslag van de andere persoon wordt dan niet uitbetaald. Dit is alleen anders als in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald. Dit alles is geregeld in artikel 10 van het BUK.
10. Bij de toepassing van artikel 18, vierde lid, van de AKW en artikel 10 van het BUK hanteert de Svb op basis van beleidsregel SB1014 en beleidsregel SB1096 het criterium dat een kind wordt geacht te wonen waar het kind het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt. Als er sprake is van een overeengekomen of opgelegde regeling over de opvoeding van het kind, gaat de Svb in beginsel uit van wat is bepaald in de betreffende regeling. Alleen als blijkt dat zo’n regeling bestendig niet wordt nageleefd, dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor de uitbetaling. In het algemeen heeft de niet-naleving van een regeling een bestendig karakter als ouders de afspraken langer dan zes maanden niet naleven.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat eiser tot het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op volledige kinderbijslag voor zijn zoon. Van belang is dat er sprake was van co-ouderschap tussen eiser en zijn ex-echtgenote. Eiser heeft verklaard dat de situatie sinds augustus 2023 is veranderd en dat zijn zoon sindsdien bij hem verblijft en niet meer (deels) bij moeder. Ook de toenmalige voogd heeft verklaard dat de zoon van eiser vanaf juli 2023 volledig bij zijn vader woont. Partijen zijn het hier dus over eens. De Svb hoeft alleen uit te gaan van de feitelijke situatie als blijkt dat deze situatie een bestendig karakter heeft. Blijkens het beleid is hiervan sprake na een periode van zes maanden. Dit betekent, in het geval van eiser, dat de situatie medio januari 2024 bestendig is geworden. Hierdoor bestaat er voor eiser vanaf het tweede kwartaal van 2024 recht op volledige kinderbijslag voor zijn zoon.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene kinderbijslagwet.
Besluit uitvoering kinderbijslag.