Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-20
ECLI:NL:RBMNE:2025:2661
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,190 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5160
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S. Ilkdogan),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: K. Demir).
Inleiding
1. Eiser ontvangt sinds 4 februari 2020 een dak- en thuislozenuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Sinds 6 februari 2023 ontvangt eiser een uitkering naar de norm van een alleenstaande.
2. Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college deze uitkering ingetrokken en beëindigd per 1 september 2022. Tevens heeft het college de verleende bijstand over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 januari 2024 teruggevorderd tot een bedrag van € 19.675,84. Voorts heeft het college bij besluit van 7 mei 2024 aan eiser een boete opgelegd van € 540,-
3. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2024 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen het besluit van
11 juli 2024 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Standpunten van partijen
5. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Over de periode van 1 september 2022 tot1 september 2023 bestond volgens het college geen recht op bijstand, omdat is gebleken dat eiser kon beschikken over middelen die boven de voor hem geldende bijstandsnorm lagen. Over de periode van 1 september 2023 tot en met 20 februari 2024 bestond evenmin recht op bijstand, omdat het recht op bijstand over deze periode niet was vast te stellen. Er is volgens het college geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Wat betreft de boete stelt het college zich op het standpunt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid en dat geen sprake is van dringende redenen om af te zien van het opleggen van de boete.
6. Eiser voert in beroep aan dat er geen sprake is van een bewuste schending van de inlichtingenplicht en dat hij te goeder trouw was. Hij stelt dat het college hem nooit heeft gewezen op zijn inlichtingenplicht. Eiser wist niet dat hij de ontvangen bedragen moest melden. Hij heeft namelijk geen betrokkenheid gehad bij de aanvraag en verlening van zijn bijstandsuitkering, aangezien dat via een hulpverlener en later via een bewindsvoerder is verlopen. Ook meent hij dat hij altijd heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat hij inzage heeft verschaft in zijn bankrekeningen voor zover hij die in zijn bezit had. Verder wijst eiser op zijn traumatische jeugd, zijn verslavingsproblematiek en de moeizame sociale en financiële omstandigheden waarin hij verkeert. Volgens hem heeft het college bij het besluit tot terugvordering en het opleggen van de boete onvoldoende rekening gehouden met de oorzaak van die terugvordering en boete en de gevolgen die deze betalingsverplichtingen nog vele jaren hierna voor eiser zullen hebben.
Beoordeling
Over de intrekking
7. De hier te beoordelen periode is de periode van 1 september 2022 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 20 februari 2024 (de datum van het intrekkingsbesluit).
8. Gebleken is dat eiser, in de te beoordelen periode, diverse bankrekeningen die op zijn naam stonden niet heeft gemeld aan het college. Het gaat hierbij om bankrekeningen bij onder andere Bunq en Knab en een bankrekening in Litouwen. Tevens is gebleken dat op deze bankrekeningen geregeld bedragen zijn gestort die (ver) boven de voor eiser van toepassing zijnde bijstandsnorm lagen en dat eiser beschikte over contante gelden. Eiser heeft hiervan evenmin melding gemaakt bij het college. Niet aannemelijk is dat eiser van deze verplichting niet op de hoogte is geweest. Gebruikelijk is dat een bijstandsgerechtigde hieromtrent door het college wordt geïnformeerd op het moment dat de bijstandsaanvraag wordt toegekend. Grotere en herhaalde bijschrijvingen zijn gegevens die van invloed zijn op het recht op bijstand. Dat had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. De stelling dat zijn hulpverlener of bewindvoerder hem niet of onvolledig hebben geïnformeerd over de inlichtingenplicht kan eiser niet baten. Hun handelen komt immers voor rekening en risico van eiser. Ook zijn beroepsgrond dat hij steeds te goeder trouw heeft gehandeld treft geen doel. De inlichtingenplicht is namelijk een geobjectiveerde verplichting waarbij de verwijtbaarheid van eiser geen rol speel.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Over de periode van
1 september 2022 tot 1 september 2023 beschikte eiser over dermate veel financiële middelen, dat hij geen recht op bijstand had. Over de periode van 1 september 2023 tot en met 20 februari 2024 bestond evenmin recht op bijstand, omdat het college dit recht niet heeft kunnen vaststellen.
10. Doordat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft het college zijn bijstandsuitkering terecht ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de Pw. Dit is een dwingende bepaling. Dat betekent dat het college bij het besluit tot intrekking geen rekening heeft kunnen en mogen houden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
Over de terugvordering
11. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Echter, als daartoe dringende redenen bestaan, dan kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Van belang is dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen of een sterk verminderd aandeel heeft gehad in de omstandigheid dat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Zo is niet gebleken dat hij in de te beoordelen periode een verminderd beoordelingsvermogen had. Eiser heeft juist bewust en buiten weten van zijn hulpverlener en bewindvoerder bankrekeningen geopend en gelden ontvangen. Er is voorts geen aanwijzing dat de thans ontstane schuld op enigerlei wijze te wijten is aan het college. De rechtbank onderkent verder dat de terugbetalingsverplichting eiser voor een financiële uitdaging plaatst. Dat de gevolgen daarvan in financiële en psychische zin onevenredig zwaar op hem drukken, heeft eiser evenwel niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen medische of andere relevante stukken ingebracht die daarop wijzen. Verder heeft te gelden dat het college bij de verrekening of de invordering rekening houdt met de beslagvrije voet.
Over de boete
13. Zoals geoordeeld, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden en is er geen situatie waarin ten aanzien van hem elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom gehouden aan eiser een boete op te leggen. Het college is hierbij uitgegaan van de normale verwijtbaarheid. Het college heeft geen dringende redenen hoeven aannemen om af te zien van het opleggen van de boete. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij in rechtsoverweging 12 heeft overwogen.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2195).
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5160
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S. Ilkdogan),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: K. Demir).
Inleiding
1. Eiser ontvangt sinds 4 februari 2020 een dak- en thuislozenuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Sinds 6 februari 2023 ontvangt eiser een uitkering naar de norm van een alleenstaande.
2. Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college deze uitkering ingetrokken en beëindigd per 1 september 2022. Tevens heeft het college de verleende bijstand over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 januari 2024 teruggevorderd tot een bedrag van € 19.675,84. Voorts heeft het college bij besluit van 7 mei 2024 aan eiser een boete opgelegd van € 540,-
3. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2024 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen het besluit van
11 juli 2024 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Standpunten van partijen
5. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Over de periode van 1 september 2022 tot1 september 2023 bestond volgens het college geen recht op bijstand, omdat is gebleken dat eiser kon beschikken over middelen die boven de voor hem geldende bijstandsnorm lagen. Over de periode van 1 september 2023 tot en met 20 februari 2024 bestond evenmin recht op bijstand, omdat het recht op bijstand over deze periode niet was vast te stellen. Er is volgens het college geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Wat betreft de boete stelt het college zich op het standpunt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid en dat geen sprake is van dringende redenen om af te zien van het opleggen van de boete.
6. Eiser voert in beroep aan dat er geen sprake is van een bewuste schending van de inlichtingenplicht en dat hij te goeder trouw was. Hij stelt dat het college hem nooit heeft gewezen op zijn inlichtingenplicht. Eiser wist niet dat hij de ontvangen bedragen moest melden. Hij heeft namelijk geen betrokkenheid gehad bij de aanvraag en verlening van zijn bijstandsuitkering, aangezien dat via een hulpverlener en later via een bewindsvoerder is verlopen. Ook meent hij dat hij altijd heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat hij inzage heeft verschaft in zijn bankrekeningen voor zover hij die in zijn bezit had. Verder wijst eiser op zijn traumatische jeugd, zijn verslavingsproblematiek en de moeizame sociale en financiële omstandigheden waarin hij verkeert. Volgens hem heeft het college bij het besluit tot terugvordering en het opleggen van de boete onvoldoende rekening gehouden met de oorzaak van die terugvordering en boete en de gevolgen die deze betalingsverplichtingen nog vele jaren hierna voor eiser zullen hebben.
Beoordeling
Over de intrekking
7. De hier te beoordelen periode is de periode van 1 september 2022 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 20 februari 2024 (de datum van het intrekkingsbesluit).
8. Gebleken is dat eiser, in de te beoordelen periode, diverse bankrekeningen die op zijn naam stonden niet heeft gemeld aan het college. Het gaat hierbij om bankrekeningen bij onder andere Bunq en Knab en een bankrekening in Litouwen. Tevens is gebleken dat op deze bankrekeningen geregeld bedragen zijn gestort die (ver) boven de voor eiser van toepassing zijnde bijstandsnorm lagen en dat eiser beschikte over contante gelden. Eiser heeft hiervan evenmin melding gemaakt bij het college. Niet aannemelijk is dat eiser van deze verplichting niet op de hoogte is geweest. Gebruikelijk is dat een bijstandsgerechtigde hieromtrent door het college wordt geïnformeerd op het moment dat de bijstandsaanvraag wordt toegekend. Grotere en herhaalde bijschrijvingen zijn gegevens die van invloed zijn op het recht op bijstand. Dat had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. De stelling dat zijn hulpverlener of bewindvoerder hem niet of onvolledig hebben geïnformeerd over de inlichtingenplicht kan eiser niet baten. Hun handelen komt immers voor rekening en risico van eiser. Ook zijn beroepsgrond dat hij steeds te goeder trouw heeft gehandeld treft geen doel. De inlichtingenplicht is namelijk een geobjectiveerde verplichting waarbij de verwijtbaarheid van eiser geen rol speel.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Over de periode van
1 september 2022 tot 1 september 2023 beschikte eiser over dermate veel financiële middelen, dat hij geen recht op bijstand had. Over de periode van 1 september 2023 tot en met 20 februari 2024 bestond evenmin recht op bijstand, omdat het college dit recht niet heeft kunnen vaststellen.
10. Doordat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft het college zijn bijstandsuitkering terecht ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de Pw. Dit is een dwingende bepaling. Dat betekent dat het college bij het besluit tot intrekking geen rekening heeft kunnen en mogen houden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
Over de terugvordering
11. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Echter, als daartoe dringende redenen bestaan, dan kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Van belang is dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen of een sterk verminderd aandeel heeft gehad in de omstandigheid dat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Zo is niet gebleken dat hij in de te beoordelen periode een verminderd beoordelingsvermogen had. Eiser heeft juist bewust en buiten weten van zijn hulpverlener en bewindvoerder bankrekeningen geopend en gelden ontvangen. Er is voorts geen aanwijzing dat de thans ontstane schuld op enigerlei wijze te wijten is aan het college. De rechtbank onderkent verder dat de terugbetalingsverplichting eiser voor een financiële uitdaging plaatst. Dat de gevolgen daarvan in financiële en psychische zin onevenredig zwaar op hem drukken, heeft eiser evenwel niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen medische of andere relevante stukken ingebracht die daarop wijzen. Verder heeft te gelden dat het college bij de verrekening of de invordering rekening houdt met de beslagvrije voet.
Over de boete
13. Zoals geoordeeld, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden en is er geen situatie waarin ten aanzien van hem elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom gehouden aan eiser een boete op te leggen. Het college is hierbij uitgegaan van de normale verwijtbaarheid. Het college heeft geen dringende redenen hoeven aannemen om af te zien van het opleggen van de boete. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij in rechtsoverweging 12 heeft overwogen.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2195).