Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-02
ECLI:NL:RBMNE:2025:2644
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5849
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2025 in de zaak tussen
Stichting Dierbaar Flevoland, gevestigd in Lelystad, en
Stichting Fauna4Life, gevestigd in Amstelveen,
tezamen eisers
(gemachtigde: M. Bouscholte),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland,
verweerder
(gemachtigde: mr. R.D. Reinders).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Staatsbosbeheer, gevestigd in uit Amersfoort
(gemachtigde: mr. A. Muus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen 2024-2029 (het beheerplan OVP).
1.1.
Het beheerplan OVP is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gedeputeerde Staten hebben het ontwerpbeheerplan Oostvaardersplassen van 19 december 2023 van 28 december 2023 tot en met 22 februari 2024 ter inzage gelegd. Eisers hebben daartegen een zienswijze ingediend. Op 16 juli 2024 hebben Gedeputeerde Staten het beheerplan OVP vastgesteld.
1.2.
Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. Gedeputeerde Staten hebben een verweerschrift van 26 november 2024 ingediend. Eisers hebben op 24 februari 2025 op het verweerschrift gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door ecoloog dr. [A] , de gemachtigde van Gedeputeerde Staten, bijgestaan door zijn collega mr. L. Verhees en de gemachtigde van Staatsbosbeheer.
Beoordeling
2. De rechtbank moet allereerst beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep.
Overgangsrecht en toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Wet Natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Omdat het ontwerpbesluit vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, is in deze zaak de Wnb nog van toepassing is.
4. Artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb bepaalt dat een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan alleen betrekking kan hebben op de beschrijvingen van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid en handelingen als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid.
4.1.
Op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb zijn projecten en andere handelingen die zijn beschreven in en worden gerealiseerd overeenkomstig een beheerplan, onder de daar genoemde voorwaarden, uitgezonderd van het in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb genoemde verbod.
4.2.
Uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb volgt dat een activiteit die direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied zonder natuurvergunning mag worden uitgevoerd. Dit wordt een beheermaatregel genoemd.
Standpunten van partijen
5. Gedeputeerde Staten stellen zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Volgens Gedeputeerde Staten zijn de maatregelen die in het beheerplan OVP zijn opgenomen vergunningvrij, niet omdat ze in het beheerplan OVP met toepassing van artikel 2.9, eerste lid, vergunningvrij zijn gemaakt, maar omdat het activiteiten zijn die direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen en daarom op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb reeds zijn uitgezonderd van de vergunningplicht.
6. Eisers voeren aan dat de maatregelen in hoofdstuk 5 van het beheerplan OVP ten onrechte als instandhoudingsmaatregelen worden aangeduid. Het gaat om maatregelen die ernstige schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen, waardoor de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen. Deze maatregelen kunnen daarom significante gevolgen voor het gebied hebben. Uit de Habitatrichtlijn volgt dat voor elk plan of programma dat een significant gevolg kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een aangewezen gebied een passende beoordeling is vereist. Omdat die passende beoordeling ontbreekt kan volgens eisers beroep worden ingesteld tegen deze maatregelen.
Wat vindt de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is. Waarom dat zo is, legt de rechtbank hierna uit.
8. De gedachte achter de onder 4. tot en met 4.2. genoemde bepalingen is dat op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb bepaalde projecten en handelingen die normaal gesproken vergunningplichtig zouden zijn, vergunningvrij worden door opname in een beheerplan. Dit maakt dat de rechtsbescherming die normaal gesproken bestaat bij het vergunningtraject, nu moet worden geboden in het kader van het vaststellen van het beheerplan.
9. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het voor het vaststellen van de bevoegdheid van de rechtbank niet nodig is om inhoudelijk te beoordelen of een in het beheerplan vermelde handeling de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kan brengen. Bepalend is uitsluitend of een handeling in een beheerplan expliciet is beschreven als een handeling die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt.
10. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het beheerplan OVP geen handelingen expliciet beschreven als handelingen die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Wat eisers aanvoeren over de strijdigheid van de activiteiten in het beheerplan OVP met het Europese recht, kan, wat daar ook van zij, geen rol spelen in deze procedure. Pas als Staatsbosbeheer daadwerkelijk overgaat tot uitvoering van de maatregelen kan in het kader van een handhavingsverzoek worden beoordeeld of sprake is van een activiteit die direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en daarom zonder natuurvergunning mag worden uitgevoerd. Het toetsingskader daarvoor is gegeven in de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025.
11. Omdat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden van eisers.
Conclusie
12. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS: 2018:222.
ECLI:NL:RVS:2025:2198.