Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:2536
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,538 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
locatie Lelystad
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak met zaaknummer: C/16/574347 / HL ZA 24-118 van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. V.C. van der Velde (Alpha Advocaten),
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],
handelend onder de namen [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat: mr. J.P. van Rossum (Deen Advocatenkantoor).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 april 2024 met 13 producties;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;
- de akte vermeerdering van eis met aanvullende producties 14 en 15 van [eiseres] van 11 juli 2024;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 16 (een USB-stick);
- de akte van depot
- de akte vermeerdering van eis met aanvullende producties 1, 2B, 5B, 12B en 17 tot en met 21 van [eiseres] van 9 oktober 2024;
- de akte indiening producties 1 tot en met 4 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;
- de mondelinge behandeling op 21 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 21 oktober 2024 was [eiseres] aanwezig, samen met mr. Van der Velde en haar echtgenoot [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ). Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren aanwezig, samen met mr. Van Rossum. Mr. Van der Velde heeft spreekaantekeningen voorgelezen. De rechtbank heeft deze toegevoegd aan het dossier.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak zal doen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] en [gedaagde sub 1] hebben afgesproken om samen te investeren in auto’s. [eiseres] zou een bedrag aan [gedaagde sub 1] uitlenen en [gedaagde sub 1] zou met dat geld een bepaalde auto kopen, die hij daarna via zijn autobedrijf met winst zou proberen te verkopen. Na de verkoop zou [gedaagde sub 1] de lening voor de auto samen met 50% van de gemaakte winst aan [eiseres] (terug)betalen. [gedaagde sub 2] is ook bij de afspraken betrokken: hij heeft zich garant gesteld om de leningen aan [eiseres] terug te betalen als [gedaagde sub 1] dat niet doet. Volgens [eiseres] heeft zij voor meerdere auto’s geld aan [gedaagde sub 1] geleend, maar heeft [gedaagde sub 1] zich niet aan de afspraken gehouden. Zij eist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om € 44.580,82 met rente en kosten (waaronder beslagkosten) aan haar te betalen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het daar niet mee eens en hebben tegenvorderingen ingesteld. Zij eisen dat [eiseres] € 10.000,- aan hen betaalt, dat zij het door haar gelegde beslag moet opheffen en dat zij de schade moet vergoeden die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door het beslag lijden. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] voor het grootste deel toewijzen en de tegenvorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afwijzen.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
De afspraken over de lening zijn geldig
3.1.
[eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben alle drie een overeenkomst van 26 januari 2024 ondertekend. In deze overeenkomst staan afspraken over de lening tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] . Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn die afspraken ongeldig. Zij geven daarvoor vier verschillende argumenten. De rechtbank vindt dat de afspraken over de lening wel geldig zijn en zal dit hierna uitleggen.
3.2.
Als eerste argument voert [gedaagde sub 1] aan dat hij de overeenkomst nooit heeft doorgelezen, dat de afspraken die erin staan niet zijn bedoeling zijn geweest omdat ze voor hem niet voordelig zijn en dat er misbruik is gemaakt van zijn vertrouwen. Volgens [gedaagde sub 1] heeft hij vooral niet goed begrepen dat hij de lening en de winst steeds binnen een paar dagen na de verkoop van een auto aan [eiseres] moest (terug)betalen. Zo’n korte termijn is volgens [gedaagde sub 1] niet werkbaar in de autohandel.
3.3.
De rechtbank vindt het eerste argument van [gedaagde sub 1] onvoldoende. Uit niets blijkt dat [gedaagde sub 1] onder druk is gezet om de overeenkomst aan te gaan of dat [eiseres] op een andere manier misbruik heeft gemaakt van de situatie en de omstandigheden. Verder blijkt ook nergens uit dat sprake is van een misverstand over (één van) de afspraken. In de overeenkomst staat duidelijk wanneer [gedaagde sub 1] de lening en de winst aan [eiseres] moet (terug)betalen:
“De totale schuld, dat wil zeggen de hoofdsom en de winstdeling, dient te worden afgelost uiterlijk twee dagen nadat het betreffende voertuig is verkocht en de betaling hiervoor is ontvangen door de schuldenaar.”
Als deze termijn te kort is, had [gedaagde sub 1] dat direct op 26 januari 2024 aan [eiseres] duidelijk moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan. [eiseres] mocht erop vertrouwen dat [gedaagde sub 1] akkoord ging met de termijn en met de andere afspraken toen hij zijn handtekening onder de leningsovereenkomst zette. [gedaagde sub 1] kan nu niet achteraf op de afspraken terugkomen, ook niet als de afspraken voor hem niet voordelig (blijken te) zijn. Dat [gedaagde sub 1] de overeenkomst heeft getekend zonder het document eerst door te lezen, maakt dat niet anders. Die omstandigheid komt voor rekening en risico van [gedaagde sub 1] .
3.4.
Als tweede argument voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dat in de overeenkomst niet is vermeld welk bedrag [eiseres] aan [gedaagde sub 1] zou lenen en welke vergoeding [gedaagde sub 1] hiervoor aan [eiseres] zou betalen. De rechtbank vindt ook dit argument niet voldoende. Over de lening(en) staat in de overeenkomst het volgende:
“De hoofdsom betreft het bedrag waarvoor de lening is aangegaan, dit bedrag is gelijk aan het aanschafbedrag van het betreffende voertuig en zal dus variërend zijn.”.
Over de vergoeding(en) staat in de overeenkomst het volgende:
"De winstdeling wordt als volgt berekend: allereerst worden de gemaakte kosten van de verkoopprijs van het betreffende voertuig afgetrokken. Het resterende bedrag zal gelijk worden verdeeld tussen schuldeiser en schuldenaar. Beide maken dus aanspraak op 50% van de totale winst.
Voorbeeld: (…)
(…) Het bedrag van de winstdeling is dus afhankelijk van de gemaakte winst op het betreffende voertuig.”.
De overeenkomst is op deze punten duidelijk. Dat de totale bedragen aan leningen en vergoedingen niet in de overeenkomst staan, is logisch. Die bedragen waren nog niet bekend toen [eiseres] en [gedaagde sub 1] de leningsovereenkomst aangingen.
3.5.
Als derde argument voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dat er in de overeenkomst geen goedschrift staat. Een goedschrift is een extra regel die de leningnemer met de hand onderaan de schuldbekentenis (de overeenkomst) heeft geschreven en waarin het geleende geldbedrag volledig in letters staat vermeld. [gedaagde sub 1] heeft inderdaad geen goedschrift onderaan de overeenkomst geschreven, maar dat maakt voor deze zaak niet uit. Een goedschrift kan belangrijk zijn als de rechtbank moet beoordelen of er daadwerkelijk een leningsovereenkomst is gesloten. Die vraag speelt in deze zaak niet, want [gedaagde sub 1] heeft bevestigd dat hij geld van [eiseres] heeft geleend en dat hij de overeenkomst heeft ondertekend. Het derde argument van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaat dus niet op.
3.6.
Als vierde en laatste argument noemen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat er een ongeldig pandrecht in de overeenkomst staat. Ook dit argument gaat niet op. Als het pandrecht uit de leningsovereenkomst ongeldig is, betekent dat nog niet dat de rest van de afspraken ook ongeldig zijn. De rechtbank zal (de geldigheid van) het pandrecht daarom niet bespreken.
3.7.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de afspraken tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] over de lening geldig zijn. [gedaagde sub 1] is dus aan die afspraken gebonden.
De afspraak over de garantie van [gedaagde sub 2] is geldig
3.8.
[eiseres] vindt dat [gedaagde sub 2] als borg ook aansprakelijk is om de leningen aan haar terug te betalen. In de overeenkomst staat hierover het volgende:
“Daarnaast verklaart de heer [gedaagde sub 2] (medeondertekenaar) garant te staan voor [gedaagde sub 1] met betrekking tot het terugbetalen van de overeenkomsten van geldlening(en) die zijn aangegaan, zowel in zijn hoedanigheid van natuurlijk persoon als eenmanszaak.”.
[gedaagde sub 2] voert als verweer aan dat deze afspraak ongeldig is, omdat er geen maximumbedrag is bepaald en omdat niet duidelijk is onder welke voorwaarden hij kan worden aangesproken.
3.9.
Het verweer van [gedaagde sub 2] gaat niet op. Uit de overeenkomst blijkt onder welke voorwaarde [eiseres] [gedaagde sub 2] kan aanspreken. [gedaagde sub 2] moet het geleende bedrag aan [eiseres] terugbetalen als [gedaagde sub 1] dat niet op tijd doet (“uiterlijk twee dagen nadat het betreffende voertuig is verkocht en de betaling hiervoor is ontvangen door de schuldenaar”). Verder maakt het niet uit dat er geen maximumbedrag voor de garantie van [gedaagde sub 2] is afgesproken. Er moet alleen een maximumbedrag in de overeenkomst staan als de borgsteller particulier is. De rechtbank ziet [gedaagde sub 2] niet als particuliere, maar als zakelijke borgsteller. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn allebei autohandelaar van beroep. Zij runnen met hun eenmanszaken samen een professionele showroom en garage in Dronten . De bedoeling van de samenwerking met [eiseres] was om geld te verdienen aan de handel in auto’s. [gedaagde sub 2] handelde dus voor rekening van zijn bedrijf toen hij de overeenkomst ondertekende. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt ook dat de eenmanszaak van [gedaagde sub 2] erbij betrokken is.
3.10.
[gedaagde sub 2] voert verder nog aan dat hij de overeenkomst nooit heeft gelezen en dat hij alleen maar heeft getekend omdat [gedaagde sub 1] zei dat hij dat moest doen. Ook dit verweer gaat niet op. De omstandigheden die [gedaagde sub 2] noemt komen voor zijn rekening en risico.
3.11.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de afspraak over de garantie van [gedaagde sub 2] geldig is. [gedaagde sub 2] is aan die afspraak gebonden.
Dictum
De rechtbank:
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om € 31.505,75 aan leningen aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek hierover vanaf 16 april 2024 tot de dag waarop de leningen volledig zijn betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om € 9.008,81 aan winst aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek hierover vanaf 16 april 2024 tot de dag waarop de winst volledig is betaald;
4.3.
ontbindt de afspraak dat [gedaagde sub 1] 50% van de winst uit de verkoop van de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 uit het overzicht onder 3.12 aan [eiseres] betaalt;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om € 1.797,03 aan schadevergoeding (gemiste winst) aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek hierover vanaf 16 april 2024 tot de dag waarop de schadevergoeding volledig is betaald;
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de proceskosten aan [eiseres] te betalen, in die zin dat:
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk € 8.068,25 moeten betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] hen hierover heeft aangeschreven;
[gedaagde sub 1] bovendien € 3.499,55 aan advocaatkosten moet betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] hem hierover heeft aangeschreven;
als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan hoofdelijk € 92,- extra moeten betalen, plus de kosten van betekening;
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van € 8.068,25 te betalen als zij dit bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis hebben betaald;
4.7.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek te betalen over de advocaatkosten van € 3.499,55 als hij dit bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis heeft betaald;
4.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.10.
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af;
4.11.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 521,-, te betalen binnen veertien dagen nadat [eiseres] hen hierover heeft aangeschreven.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
Beoordeling
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 31.505,75 aan leningen aan [eiseres] terugbetalen
3.12.
Volgens [eiseres] moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] haar in totaal € 31.505,75 aan leningen (terug)betalen. [eiseres] heeft in de dagvaarding een overzicht opgenomen waarin de geleende bedragen per auto staan vermeld:
*Afbeelding verwijdert ivm mogelijke herleidbaarheid*
[gedaagde sub 1] heeft de bedragen onder nummers 5 en 7 in het overzicht aan [eiseres] terugbetaald, omdat de aankoop van die auto’s niet door is gegaan. De andere geleende bedragen zijn nog niet terugbetaald. Volgens [eiseres] gaat het om tien auto’s, waarvan er inmiddels zeven zijn verkocht: nummers 1a, 1b, 1c, 4, 6, 9 en 10. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dit niet tegengesproken. Op basis van de leningsovereenkomst had [gedaagde sub 1] de bedragen die hij voor de zeven verkochte auto’s heeft geleend al aan [eiseres] terug moeten betalen. Omdat [gedaagde sub 1] dat niet op tijd heeft gedaan, is [gedaagde sub 2] als borg ook aansprakelijk.
3.13.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de andere drie auto’s (nummers 2, 3 en 8) ook al zijn verkocht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hier geen informatie over gegeven. Volgens [eiseres] kan zij de leningen voor deze drie auto’s hoe dan ook opeisen, omdat [gedaagde sub 1] zich onvoldoende heeft ingespannen om voordeel uit die leningen te halen. [eiseres] verwijst hiervoor naar de overeenkomst. Daarin staat:
“Er is sprake van onmiddellijk verzuim, waardoor de geldlener de hoofdsom of het restant daarvan met kosten onmiddellijk kan opeisen zonder voorafgaande opzegging, indien:
(…)
De schuldenaar zich onvoldoende inzet om voordeel te kunnen behalen uit de leningen;”.
Volgens [eiseres] heeft zij auto nummer 2 nooit bij het bedrijf van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zien staan en lijkt het er daarom op dat [gedaagde sub 1] het geleende bedrag voor iets anders heeft gebruikt dan voor de aankoop van die auto. Verder werd auto nummer 3 volgens [eiseres] op de dag van de dagvaarding niet meer te koop aangeboden en heeft [gedaagde sub 1] medegedeeld dat hij de auto’s aan vrienden meegeeft. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben deze argumenten van [eiseres] niet tegengesproken. Daarom volgt de rechtbank het standpunt dat [gedaagde sub 1] zich onvoldoende heeft ingespannen om voordeel uit de leningen voor de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 te halen. Op basis van de afspraken had [gedaagde sub 1] die leningen al aan [eiseres] moeten terugbetalen, ook al zijn de auto’s misschien nog niet verkocht. [gedaagde sub 2] is naast [gedaagde sub 1] ook aansprakelijk.
3.14.
Uit het overzicht van [eiseres] volgt dat zij [gedaagde sub 1] voor de tien auto’s in totaal € 31.505,75 heeft geleend. [gedaagde sub 1] heeft dit bedrag tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren nog aan dat het bedrag verrekend moet worden met hun tegenvordering van € 10.000,-. Volgens [gedaagde sub 1] heeft hij dit bedrag aan [echtgenoot] uitgeleend voor de aankoop van een transport bus. Dit verweer gaat niet op. [eiseres] ontkent de lening aan [echtgenoot] . Het lag vervolgens op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de lening verder (met stukken) te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan. Alleen daarom al zal de rechtbank de tegenvordering van € 10.000,- van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afwijzen. Dit bedrag zal ook niet worden verrekend met de vordering van [eiseres] .
3.15.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordelen om de leningen van € 31.505,75 aan [eiseres] te betalen. Hoofdelijke veroordeling betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei kunnen worden gedwongen om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
[gedaagde sub 1] moet € 9.008,81 aan winst aan [eiseres] betalen
3.16.
Op basis van de leningsovereenkomst moet [gedaagde sub 1] na elke verkoop 50% van de gemaakte winst aan [eiseres] betalen. [gedaagde sub 2] is als borg niet aansprakelijk om de winst te betalen. Hij is alleen aansprakelijk voor de leningen (en de proceskosten, waarover later meer). Dat heeft de advocaat van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd. De rechtbank heeft uit de mondelinge behandeling begrepen dat [eiseres] de vordering tot betaling van de winst tegen [gedaagde sub 2] intrekt.
3.17.
De auto’s onder nummers 1a, 1b, 1c, 4, 6, 9 en 10 zijn verkocht. [eiseres] is in haar overzicht uitgegaan van bepaalde winstbedragen (inclusief 21% btw). [gedaagde sub 1] vindt die bedragen veel te hoog. [eiseres] heeft uitgelegd dat zij sommige bedragen heeft gebaseerd op mededelingen van [gedaagde sub 1] over de verkoopprijs en dat andere bedragen zijn geschat op basis van de verkoopadvertentie van de auto’s. [gedaagde sub 1] heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. Hij heeft niet duidelijk gemaakt wat volgens hem de verkoopprijs van elke auto is geweest en welke kosten hij heeft gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] nog aangeboden om een winstberekening van [gedaagde sub 1] boekhouder in te dienen. De rechtbank zal dit niet toelaten, omdat het bewijsaanbod te laat is gedaan. [gedaagde sub 1] had bij zijn conclusie van antwoord al duidelijkheid kunnen en moeten geven over de hoogte van de winst. De rechtbank sluit aan bij de winstbedragen uit de rechterkolom in het overzicht van [eiseres] , maar zal van die bedragen nog wel 21% btw aftrekken. Btw is namelijk geen winst. De winst voor [eiseres] uit de verkoop van de zeven auto’s bedraagt € 9.008,82 (€ 10.900,67 min 21% btw). De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen om deze winst aan [eiseres] te betalen.
[gedaagde sub 1] moet € 1.797,03 aan gemiste winst aan [eiseres] betalen
3.18.
[eiseres] eist ook dat [gedaagde sub 1] de winst van de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 aan haar betaalt. Zoals onder 3.13 al is genoemd, is niet duidelijk geworden of [gedaagde sub 1] deze auto’s al heeft verkocht. Op basis van de overeenkomst hoeft [gedaagde sub 1] de winst dus nog niet aan [eiseres] te betalen. [eiseres] vindt dat de rechtbank de leningsovereenkomst dan maar moet ontbinden (beëindigen). Zij heeft dat ook subsidiair (dus in de tweede plaats) gevorderd. Volgens [eiseres] moet [gedaagde sub 1] de winst dan als schadevergoeding (gemiste winst) aan haar betalen. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eiseres] gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst vraagt.
3.19.
De rechtbank zal de afspraak dat [gedaagde sub 1] 50% van de winst uit de verkoop van de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 aan [eiseres] betaalt, ontbinden. Voor ontbinding stelt de wet twee vereisten. Het eerste vereiste is dat [gedaagde sub 1] een verplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen. Onder 3.13 is al uitgelegd dat [gedaagde sub 1] zich onvoldoende heeft ingezet om voordeel uit de leningen voor de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 te halen. Aan het eerste vereiste is dus voldaan. Het tweede vereiste is dat [gedaagde sub 1] in verzuim moet zijn. [eiseres] en [gedaagde sub 1] hebben in de overeenkomst afgesproken dat [gedaagde sub 1] direct in verzuim is als hij zich onvoldoende inzet (“Er is sprake van onmiddellijk verzuim (…)”). [gedaagde sub 1] voert nog aan dat [echtgenoot] zich te veel met zijn bedrijf bemoeide en zich te controlerend gedroeg. De rechtbank begrijpt hieruit dat [gedaagde sub 1] vindt dat hij niet in verzuim is, omdat [echtgenoot] ervoor heeft gezorgd dat hij zijn verplichting niet kon nakomen. Dit verweer gaat niet op.
Beoordeling
Uit niets blijkt dat het door [echtgenoot] komt dat [gedaagde sub 1] nog geen voordeel uit de leningen heeft gehaald. [gedaagde sub 1] is op basis van de overeenkomst in verzuim. Ook aan het tweede vereiste is dus voldaan.
3.20.
[eiseres] loopt door de ontbinding haar deel van de winst uit de verkoop van de auto’s onder nummers 2, 3 en 8 mis. Dat is schade die [eiseres] lijdt. Uit de wet volgt dat [gedaagde sub 1] die schade aan [eiseres] moet vergoeden. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen om € 1.797,03 aan schadevergoeding aan [eiseres] te betalen. Dit bedrag is gebaseerd op de winstbedragen die [eiseres] in de rechterkolom in haar overzicht onder nummers 2, 3 en 8 heeft genoemd. De rechtbank heeft van die bedragen nog 21% btw afgetrokken.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.21.
[eiseres] eist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om de wettelijke rente over de leningen en de (gemiste) winst aan haar te betalen vanaf 13 april 2024. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de wettelijke rente betalen vanaf het moment dat zij met hun betalingsverplichting in verzuim zijn geraakt. [eiseres] heeft twee brieven van 8 april 2024 ingediend, waarin zij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft aangemaand om de leningen en de (gemiste) winst binnen vijf werkdagen te betalen. Volgens [eiseres] zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in ieder geval op 13 april 2024 in verzuim geraakt omdat zij niets hebben betaald. Deze datum klopt niet. De termijn uit de brieven was pas op 16 april 2024 (de zesde werkdag na 8 april 2024) voorbij. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom hoofdelijk veroordelen om de wettelijke rente over de leningen te betalen vanaf 16 april 2024 tot de dag waarop de leningen volledig zijn betaald. [gedaagde sub 1] moet in dezelfde periode ook de wettelijke rente over de (gemiste) winst aan [eiseres] betalen. [gedaagde sub 2] hoeft die rente niet te betalen, omdat hij niet aansprakelijk is voor de (gemiste) winst.
3.22.
[eiseres] eist ook dat [gedaagde sub 2] wordt veroordeeld om € 1.477,18 aan buitengerechtelijke incassokosten aan haar betalen. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiseres] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat haar advocaat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en dat zij hierdoor kosten heeft gemaakt. Het bedrag dat [eiseres] vordert is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De rechtbank zal [gedaagde sub 2] op basis van het Besluit veroordelen om € 1.318,97 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] te betalen.
[eiseres] hoeft het beslag niet op te heffen
3.23.
[eiseres] heeft in april 2024 conservatoir beslag laten leggen op verschillende onderdelen uit het vermogen van (de eenmanszaken van) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] eisen dat [eiseres] het beslag opheft en dat zij de schade vergoedt die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door het beslag lijden. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. Dit wordt hierna verder uitgelegd.
3.24.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vinden dat het beslag onnodig is gelegd. Zij zeggen dat zij bereid en in staat waren om [eiseres] zekerheid te geven dat zij al haar geld (terug)betaald zou krijgen. De rechtbank vindt deze argumenten niet voldoende. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op geen enkele manier duidelijk gemaakt dat zij de vorderingen van [eiseres] kunnen en uit zichzelf zullen betalen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] op een gegeven moment wel aangeboden om een auto van het merk Mercedes op haar naam te laten zetten, maar bleek hij dat aanbod uiteindelijk niet te kunnen uitvoeren. De Mercedes stond namelijk niet op naam van [gedaagde sub 1] (of [gedaagde sub 2] ), maar op naam van iemand anders. [gedaagde sub 1] heeft dit niet tegengesproken. [eiseres] had vóór het beslag dus geen zekerheid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] alle bedragen aan haar zouden (terug)betalen.
3.25.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verder nog naar voren gebracht dat [eiseres] beslag heeft gelegd op verschillende auto’s en dat zij die auto’s nu niet kunnen verkopen. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn dit juist de auto’s die het meeste geld opbrengen. De rechtbank vindt ook dit argument niet voldoende. [eiseres] heeft er belang bij dat het beslag op de auto’s blijft liggen. Met het beslag heeft [eiseres] zekerheid dat zij (een deel van) haar vorderingen op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betaald zal krijgen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet duidelijk gemaakt waarom hun belang om de auto’s te verkopen en hier geld aan te verdienen zwaarder moet wegen dan het belang van [eiseres] . Zij zeggen alleen dat het beslag het voor hen moeilijk maakt om de vorderingen van [eiseres] te betalen. Die uitleg is niet voldoende, want het beslag zorgt juist voor zekerheid voor [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verder geen redenen (bijvoorbeeld financiële problemen binnen hun bedrijven) gegeven waarom [eiseres] het beslag zou moeten opheffen. De rechtbank ziet daarom in de belangenafweging geen reden om de tegenvordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toe te wijzen.
3.26.
De conclusie is dat [eiseres] het beslag niet hoeft op te heffen. Zij hoeft ook geen schadevergoeding aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te betalen.
Proceskosten in conventie
3.27.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in conventie voor het grootste deel ongelijk gekregen en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Beoordeling
De rechtbank begroot de proceskosten van [eiseres] in conventie op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,47
- beslagkosten (exploten)
€
3.696,78
- griffierecht voor deze procedure
€
1.005,00
- griffierecht voor de beslagprocedure
€
320,00
- salaris advocaat voor deze procedure
€
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- salaris advocaat voor de beslagprocedure
€
786,00
(1 punt x € 786,00)
- nakosten
€
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.068,25
3.28.
Volgens [eiseres] heeft zij meer advocaatkosten gemaakt dan hierboven onder ‘salaris advocaat’ staat opgesomd. Zij eist dat [gedaagde sub 1] al haar advocaatkosten aan haar vergoedt. Uit de overeenkomst blijkt dat [gedaagde sub 1] alle advocaatkosten van [eiseres] moet betalen:
“Alle kosten die de schuldeiser maakt om zijn rechten uit te oefenen of te behouden en alle verdere kosten die voortkomen uit deze geldlening, zijn voor rekening van de schuldenaar.”.
Uit de akte vermeerdering van eis van 9 oktober 2024 begrijpt de rechtbank dat [eiseres] € 5.857,55 aan advocaatkosten van [gedaagde sub 1] vordert. Hier trekt de rechtbank het salaris in de opsomming onder 3.27 van in totaal € 2.358,- van af, omdat [gedaagde sub 1] dit bedrag anders dubbel zou betalen. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen om nog € 3.499,55 extra aan advocaatkosten aan [eiseres] te betalen.
3.29.
[eiseres] vordert ook de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag nadat het vonnis is betekend tot aan de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald. De rechtbank zal die vordering toewijzen (zie onder 4.6 en 4.7 in de beslissing).
Uitvoerbaar bij voorraad
3.30.
De rechtbank zal de veroordelingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat heeft [eiseres] gevorderd en de rechtbank ziet geen reden om die vordering af te wijzen. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiseres] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep hebben ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist.
Proceskosten in reconventie
3.31.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten ook de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen, omdat de rechtbank hun tegenvorderingen afwijst. De tegenvorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hangen samen met hun verweer tegen de vorderingen van [eiseres] in conventie. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de helft van het aantal punten aan salaris voor de advocaat van [eiseres] . De rechtbank begroot de proceskosten van [eiseres] in reconventie op € 521,- (2 punten x factor 0,5 x tarief € 521,-). De rechtbank heeft de nakosten in reconventie al opgeteld bij de nakosten in conventie in de opsomming onder 3.27.