Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-20
ECLI:NL:RBMNE:2025:2534
Civiel recht
Wraking
1,296 tokens
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 593624 HA RK 25-93
Dictum
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker).
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 13 mei 2025 een verzoek ingediend om de wrakingskamer te wraken in de zaak met zaaknummer 592503 HA RK 25-76 (de hoofdzaak).
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft op 17 april 2025 (verbeterd op 21 april 2025) een eerste wrakingsverzoek ingediend in de civiele zaak met nummer 11509352 UC EXPL 25-680. Dit verzoek zou door de wrakingskamer worden behandeld op de zitting van 22 mei 2025 (zaaknummer 592503 HA RK 25-76, de hoofdzaak). Vóór deze wrakingszitting, op 13 mei 2025, heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt (het tweede wrakingsverzoek). Dat verzoek heeft hij bevestigd in zijn brief van 15 mei 2025.
2.2.
Verzoeker heeft zijn tweede wrakingsverzoek ingediend omdat hij, kort samengevat, vindt dat het eerste wrakingsverzoek onderzocht had moeten worden door het Openbaar Ministerie (OM). Verzoeker heeft dat als volgt gemotiveerd.
Het gerechtsbestuur en de griffier in de civiele zaak hebben geweigerd om verzoeker schriftelijk te laten weten wie hen had medegedeeld dat verzoeker weinig kans van slagen heeft in de civiele procedure. Daarmee worden zij er in samenhang met de onbekende informant van verdacht dat zij rechtsobstructie hebben gepleegd om de uitkomst van de civiele zaak te ondermijnen.
In het eerste wrakingsverzoek heeft verzoeker het gerechtsbestuur verzocht om het OM te betrekken bij het onderzoek naar de wraking van de rechter in de civiele procedure. Het gerechtsbestuur heeft geweigerd te reageren op dit verzoek, zodat het gerechtsbestuur zich volgens verzoeker had kunnen en moeten verschonen om de wrakingskamer te belasten met het eerste wrakingsverzoek. Omdat de onbekende informant volgens verzoeker bekend is bij het gerechtsbestuur, had het gerechtsbestuur aangifte wegens rechtsobstructie moeten kunnen en moeten doen bij het OM. Dat heeft zij geweigerd.
Verzoeker heeft de wrakingskamer vervolgens gewraakt omdat het openbaar belang ermee gediend is dat het OM het tweede wrakingsverzoek onderzoekt, en niet de wrakingskamer.
In zijn brief van 15 mei 2025 heeft verzoeker bevestigd dat hij de wrakingskamer heeft gewraakt.
Beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
In dit geval heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt omdat hij vindt dat het eerste wrakingsverzoek (in de civiele zaak) zou moeten worden onderzocht door het OM. Daarmee is dit tweede wrakingsverzoek gericht tegen alle rechters van de wrakingskamer, want volgens verzoeker zou geen enkele rechter van de wrakingskamer de hoofdzaak mogen beoordelen vóórdat het OM de zaak onderzocht heeft. Dat is geen verzoek in de zin van de wet. Uit artikel 36 Rv volgt immers dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen de rechter(s) die de hoofdzaak behandelt (behandelen), en dus niet tegen alle rechters van de wrakingskamer. Het was verzoeker overigens nog niet bekend welke rechters van de wrakingskamer de hoofdzaak zouden behandelen.
3.3.
Dat betekent dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Op grond daarvan kan een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven. Gevolg hiervan is ook dat de op 22 mei 2025 geplande zitting van de wrakingskamer doorgaat, en de wrakingskamer het eerste wrakingsverzoek zal behandelen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechters waartegen het wrakingsverzoek is gericht en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 592503 HA RK 25-76 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. M.E. Heinemann, voorzitter, en mr. J.P. Killian en mr. L.C. Michon als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. E.M. Schutte, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.